ThuisHandelHistorieUit de FrisoContact en toevoegingenFoto's WorkumVerhalenGeschiedenis
Gereformeerde kerk
Joodse begraafplaats
Huismerken Gertrudis kerk
Winkelweek 1921 Greate Pier
Het Stadhuis
Stedeke Workum
1000-jarg bestaan
Scholen door de jaren heen
Het Weeshuis
Toer de Dolte

Toer de Dolte geschreven door Jan Pieter Dykstra

Volgens sommige publicaties moet rond de tiende eeuw een nederzetting met de naam Waltercome, later getransformeerd via Wolderkum tot het huidige Workum, westelijker hebben gelegen dan onze tegenwoordige stad. Door de oprukkende zee werd dat Workum op den duur zo bedreigd, dat de toenmalige bewoners het dorp in de steek lieten en meer landinwaarts trokken om zich langs de hoger gelegen boorden van de Wimerts, destijds een open verbinding tussen de Zuiderzee en het merengebied van de Zuidwesthoek, te vestigen. Langs deze uitwatering ontstond in de loop der tijd een aaneengesloten lintbebouwing, die uiteindelijk resulteert in ons huidige Workum. De genoemde  Wimerts zal tot 1875 een karakteristieke vaarverbinding door het stadscentrum vormen. In genoemd jaar werd deze door talloze bruggetjes overhuifde vaart gedempt. Aldus ontstonden It Súd en It Noard als belangrijkste straat met een lengte van circa twee kilometer  – ‘sa lang as Warkum’ is daardoor een in de naaste omgeving bekende uitdrukking geworden. Uit archieven is gebleken dat er aan het eind van de 13e eeuw handel werd gedreven met Engeland. Deze handelsactiviteiten nemen gestaag toe, waarbij onder de vlag van Stavoren tevens handel wordt gedreven met de Hanzesteden in de Oostzee. In 1399 verleent de Hollandse graaf Albrecht het poortrecht aan Workum. Vanaf dat jaar mogen de burgers zich er op beroemen ingezetenen te zijn van een stad. In tegenstelling tot de meeste steden heeft Workum nimmer een omwalling of bolwerken met muurwerk en poorten van enige importantie gekend. Slechts een schans van beperkte afmetingen is ooit gesitueerd geweest aan de noordoostelijke zijde, ongeveer ter plaatse van de latere oliemolen “de Liefde”, waar nu een jachthaven is gevestigd, tegenover de Trekweg naar Bolsward. Omdat Workum (nog steeds) door vaarten en sloten, waaronder de Djippe en de Droege (= vanwege de geringe diepte) Dolte, is omringd, haalde men in geval van gevaar gewoon de bruggen op die toegang tot de stad verschaften. Dat hield in dat men bij vorst de vaarwegen open moest houden om de veiligheid te garanderen. Trouwens in de 19e eeuw zaagde men in de winter vanaf  ‘De Holle Mar’ aan de noordzijde van de stad een vaarweg door het ijs naar de haven bij de sluis, zodat de lucratieve palinghandel op Londen, waar Workumer palingaken vanaf ca. 1840 een eigen ligplaats hadden aan de Theems op Billingsgate, gewoon doorgang kon vinden. Tussen ca. 1350 en 1524 is Workum af en toe het strijdtoneel in de vete tussen de Schieringers en de Vetkopers.

Hoewel die twisten hun tol eisen in de stad, plundering en brandschatting van o.a. de laatgotische Grote of St. Gertrudiskerk in 1515 en 1523, groeit Workum in de 16e eeuw uit tot een van de belangrijkste Friese steden. Een eigen munt en hoge belastingen aan de provincie betalen is daarvan een bewijs. Ook getuigt het feit dat vanaf 1504 in heel Fryslân de Workumer El (70,9 cm) als meeteenheid moet worden gebruikt van die importantie. Aan de muur van het stadhuis, dat in zijn oudste vorm een gotisch bouwwerk was, hing het officieel goedgekeurde exemplaar van deze lengtemaat, waaraan een ieder zijn eigen exemplaar kon ijken. In deze periode valt ook de opkomst van de gilden, die een belangrijke rol in het economische leven spelen. Een prachtig relikwie van die vakverenigingen vindt men nog heden ten dage in de collectie unieke, met fraaie op het beroep betrekking hebbende schilderingen versierde gildenbaren, van o.a. dokters, schippers, timmerlieden, boeren, smeden, bakkers en een tweetal kinderbaren, te weten een voor schipperskinderen en een voor timmerliedenkinderen, waarop de gestorven gildenleden naar hun laatste rustplaats werden gebracht. Dat er toen wellicht al ijsvermaak was, kan blijken uit de afbeelding van een zilveren tabaksdoos op de baar der smeden (1756), waar in gegraveerd staat dat dit luxe voorwerp in 1740 overzee (dat is vermoedelijk Enkhuizen, Medemblik wellicht) is gehaald door Steffen Ages wonend te Workum. Weliswaar denken wij hierbij direct aan schaatsen, maar het is eveneens aannemelijk dat men met paard en arreslee de bevroren Zuiderzee is overgestoken en daar voor de thuisblijvers een souvenir kocht.Tijdens de hervorming gaat de laatgotische St. Gertrudiskerk op last van de provinciale overheid in 1580 over naar de “nieuwe religie”, dat wil zeggen het protestantisme. Veel meubelstukken, altaren, goud- en zilverwerk worden daarbij vernietigd en de Rooms Katholieke godsdienst komt te verkeren in de situatie dat zij slechts oogluikend wordt toegestaan. Pas na 1853, bij het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland, komt er meer vrijheid voor deze bevolkingsgroep. In 1877 wordt op It Noard de prachtige monumentale St. Werenfriduskerk, een ontwerp van architect Alfred Tepe, als symbool van die wederopstanding gebouwd. Overigens ondergingen de doopsgezinden hetzelfde lot, waardoor de prachtige en kenmerkende schuilkerken ontstonden (hier in 1694).
Dat de stad in die 17e en 18e eeuw economisch de wind in de zeilen heeft gehad, blijkt bijvoorbeeld uit de in 1650 gebouwde boterwaag op de Merk. Het in oorsprong nog altijd middeleeuwse stadhuis wordt in het eerste kwart van de 18e eeuw gerenoveerd en krijgt z’n huidige vorm.
Het aantal inwoners schommelt in het midden van de 18e eeuw rond de 2600 personen, van wie ca. 20% een bestaan op zee vindt. In het laatste kwart van die eeuw vindt een spectaculaire aanwas tot ca. 4000 personen plaats, een gevolg van de economische voorspoed. Bij het begin van de 20e eeuw telt de stad ruim 3900 inwoners en tegenwoordig wonen hier ruim 4200 personen.
In de 19e eeuw komt de klad in de zeevaart omdat de toegang tot de haven verzandt, waardoor enkel nog kleinere schepen hier emplooi kunnen vinden. Tijdens het laatste kwart van de 19e eeuw vindt er inpoldering plaats van de noordelijk van Workum gelegen Workumer-, Parregaaster- en Makkumermeer, waardoor nieuwe boerderijen in die ontgonnen gebieden kunnen worden gevestigd. Dat resulteert onder meer in de vestiging van een tweetal zuivelfabrieken, waarvan de huidige overgebleven fabriek thans de grootste kaasfabriek van Europa is, waar per jaar meer dan 60.000 ton kaas wordt gefabriceerd.
Tot de Tweede Wereldoorlog leidt Workum een kwijnend bestaan, hoewel de bereikbaarheid door het aanleggen van nieuwe en betere wegen, waaronder de spoorlijn naar Stavoren (1885), sterk was verbeterd. Pas na de oorlog krijgt de economie een oppepper door het toenemen van het toerisme. Dat zorgt voor bedrijvigheid en stimuleert ook om bijvoorbeeld monumentale bouwwerken te restaureren. Zo ondergaat de St. Gertrudiskerk van 1939-1951 een ware metamorfose, het stadhuis wordt gerestaureerd, er komt een plaatselijk museum, jachthavens – zowel binnen- als buitengaats, op het IJsselmeer - worden aangelegd en (nieuwe) jachtwerven zorgen voor een bescheiden toename van werkgelegenheid. Na de strenge winter van 1963 wordt de kiem gelegd voor de huidige grote camping aan de rand van het IJsselmeer.Tijdens deze voor Reinier Paping onvergetelijke majestueuze winter werd op 28 februari vanuit Workum een tocht met auto’s over het bevroren IJsselmeer gehouden naar Medemblik en omgekeerd. Honderden auto’s deden aan deze unieke tocht mee. Midden op de bevroren ijsvlakte van het IJsselmeer werd zelfs een mobiel tankstation geïnstalleerd. Het batig saldo van deze activiteit speelde een rol bij de ontwikkeling van de camping, die in eerste instantie in handen was van de vereniging Plaatselijk Belang, maar later werd overgenomen door de gemeente Workum/Nijefurd en tegenwoordig in particuliere handen is.
In de jaren tachtig volgt een der grote publiekstrekkers van Workum, het Jopie Huismanmuseum wordt geopend. Honderdduizenden hebben die unieke verzameling schilderijen van de voormalige voddenboer inmiddels bewonderd. Tenslotte, als de uitkomst van de laatste politieke ontwikkelingen, met name de kwestie van de herindeling, in ‘Leeuwarden’ en met een beslissende stem voor ‘Den Haag’ hun beslag zullen krijgen overeenkomstig het voorstel van de gemeenteraad zijn de dagen van de gemeente Nijefurd, die per 1.1.1984 ontstond en waardoor Workum, Staveren, Hindeloopen en Hemelumer Oldeferd als gemeenten verdwenen, geteld.
  
 
II   Opbindinstructies voor traditionele Friese Doorlopers
Met uw schaatsen onder de arm begeeft u zich op waardige wijze op de ijsvloer en zoekt een plekje op een bankje, dan wel daar al of niet toevallig aanwezige stoel, slede of dergelijke. Ter voorkoming van een nat of vuil zitvlak spreidt u voor tot zitten wordt overgegaan een zakdoek op het beoogde zitplekje. Dan zet u zich neder, waarbij de schaatsen ter rechter of linker zijde naast u worden neergevleid. Alsdan gezeten zijnde wordt het rechter, dan wel linker onderbeen, naar ieders politieke voorkeur, geheven en haaks op de knie van het op de ijsvloer rustende been geplaatst. Met een schaats worden behoedzaam restanten sneeuw of andere verontreinigingen van de op de knie rustende schoen verwijderd. Dan wordt de schaats op de ijsvloer gezet. Hiel- en teenleren worden in een dusdanige positie gebracht, dat de geschoeide voet nu probleemloos op de schaats kan worden geschoven. Hierbij dient vooral aandacht te worden besteed aan de positie van de knoop in het hielleer. Deze dient zich aan de buitenkant der voet te bevinden. Iets nieuwere types schaats hebben hier geen knoop meer, maar om de juiste lengte van het hielleer te bepalen, wordt bij dat type gebruik gemaakt van een riempje met gesp. Staat de geschoeide voet recht en op de juiste lengte (de hiel mag niet over
het schaatshout heen steken) dan kan worden begonnen met het vastbinden der schaats aan de geschoeide voet. Met beide handen trekt men in eerste instantie de veter (die aan beide zijden even lang dient te worden gehouden) strak naar achteren onder het hielleer door ( of bij de nieuwere types door de daar aangebrachte ringen) en gaat met een vloeiende beweging voorwaarts, kruislings over de wreef van de schoen naar de strak gehouden veter die vanaf het teenleer aan de buiten- en binnenzijde der geschoeide voet naar het hielleer loopt. Ten einde het opbinden te voltooien wordt nu op de plek op de wreef waar de veter zich in gekruiste positie bevindt met enige druk van een der duimen deze positie van de veter gefixeerd. Met de vrije hand wordt nu de veter onder het even lager liggende deel door gehaald en vervolgens doet men dat ook aan de ander zijde. Hierbij is het verstandig de druk op de veters op de wreef constant te houden, maar er dient wel uit een oogpunt van efficiency van duim te worden gewisseld. Met beide handen trekt de schaatser nu de veter in omhooggaande richting zodat er meer spanning komt op de in de lengte over de geschoeide voet lopende veter. Heeft men de indruk dat het overblijvende gedeelte van de veter ietwat aan de lange kant zal zijn, waardoor de kans op struikelen over de eigen veterstrik niet ondenkbeeldig kan worden geacht, dan herhaalt men de zojuist geëxpliceerde exercitie nogmaals en strikt alsdan de veter op de bovenzijde der wreef af, als bij schoenen gebruikelijk. Zodoende zal het hielleer strak aangesloten tegen de hiel zijn bevestigd. Voordat u aan de schaatstocht begint, doet u er goed aan even uw blik achterwaarts naar beneden te werpen en uw voor het zitten gebruikte zakdoek op te nemen, op te vouwen en weg te bergen in een jas- of broekzak.
N.B.: Krijgt men tijdens het schaatsen last van pijnlijke enkelknobbels, dan verdient het aanbeveling de zo-even genoemde zakdoek in gevouwen toestand tussen hielleer en de als pijnlijk ervaren plek op de enkel te doen. 
 
 
 
  
 
De rider en Jûkelburd
(in klúnhakke fan ’e iisklub)
 
Fan ’e moarn draeft skier fan skrik in rider my foarby
It klubhûs yn, myn redens hime er, it ûnk hjitfolget my.
 
Niiskrektsa ried ik op ’e Djippe Dolte, d’ iene skek nei d’ oare,
Doe briek it haklear my, op dat stuit koe ’k Jûkelburd wol smoare!
 
Fansels ik flokte, hwant ik soe eins nei de Polkefeart,*
Dêr is hjoed in wedstriid mar dat komt sa op ’e kop forkeard.
 
Heech boppe ús hearden wy in spytgnyskjend lûd.
Jonkje, lake Jûkelburd, forsjit net daliks al dyn krûd.
 
Kom, bidarje dy, Eiling hat haklearen by de rûs,
Sykje út, en hwa wit giestou mei priis of preemje nei hûs.
 
Fan ’e middei, gjin rider en muzyk mear op ’e baen,
Spriek ik dêr Jûkelburd, koart mar oangenaem.
 
Werom, freegje ik, om ’t hy wachtet op myn fraech,
Stiene jo fan ’e moarn to krinkjespuijen ûnder de Waech?
 
Glimkjend andert hy, ach ik wie it spoar alhiel bjuster.
‘k Soe om koeke en in sûpke, mar rekke op ’e doele yn it tsjuster.
 
Ik moete ien, snieblyn mei skythakken en ek noch in biferzen orgaen.
(‘k Hearde syn wiif al skamperjen: moatst it dêr tonei mei dwaen?)
 
Mar yn jimm’ klubhûs, hie ’k hope, dat noch altiid poeijermolke skinke soe
De man, peuk oan, klots op, dy ’t ik al sûnt myn jongesjierren koe!
 
* = de feart njonken de hjoeddeistige iisbaen, dy ’t nei de Nijlânner moune rint
 
 
 
III    Preamkeskowe oer de Djippe Dolte
Tot in de vijftiger jaren van de vorige eeuw lag op de opstapplaats in de bocht van de Trekfeart de zogenaamde Hollemarsbrêge. Onder die brug door kon men per boot – of ’s winters op schaatsen - bij het geboortehuis van Jopie Huisman komen, dat in de volksmond ‘op de ielpôlle’ is gesitueerd, hetgeen verwijst naar de al genoemde palinghandel. De Djippe Dolte is het vaarwater waarover de schaatsers zich door de stad begeven en hier op de Trekfeart afslaan om hun weg naar Bolsward te vervolgen. Zou de Tocht echter nog eens om de Noord gaan, zoals vroeger wel gebeurde, dan arriveren de rijders hier in de stad. Zij rijden dan voor de binnenkomst in de stadsbebouwing aan de rechterkant direct nadat de provinciale brug is gepasseerd de forse stelpboerderij voorbij van het eens vermaarde fokveebedrijf van de familie D.D. van der Werf, die al hun fokdieren bij de naamgeving het prefix ‘Warkumer’ gaven. Tegenwoordig is in die boerderij de praktijkruimte van de Workumer veeartsen gevestigd, een passende herbestemming. In de hoek van de Trekfeart ligt nu een garagebedrijf maar eertijds kwam op deze plek de fraaie boerderij van Rintje Haagsma
 in het blikveld van de rijders. In de oorlog werd deze sathe in brand gestoken en niet meer herbouwd. Net voor de Noorderbrug van ‘ús eigen brêgewipper’ Pieter de Boer passeerden zij aan de westzijde de aan de Trekwei gelegen Worckumer Peerdestal, met gevelsteen van anno 1649, waarop een naar rechts (richting Bolsward) gewend paard, en het onder hetzelfde dak gevestigde vroegere café ‘de Zwaan’, dat Jopie Huisman – in de jaren vijftig, zestig - als pakhuis gebruikte en er zijn vodden en andere negotie opsloeg, maar waar, toen het pand nog als koffiehuis in gebruik was in de gelagkamer gestempeld – of liever afgetekend, met tijd van doorkomst - moest worden voor de Tocht door de kastelein van het etablissement of een notabele uit de Workumer gemeenschap, zoals in 1933 B.N. Crol, vermoedelijk de directeur van de Stoomzuivelfabriek Tjebbes & Co, die de kaart van de latere winnaar Sipke Castelein aftekende, die toen gelijktijdig met Abe de Vries over de einstreep kwam.
 
 
 De Peerdestal was het veerhuis met aankomst en vertrek van de trekschuit naar Bolsward. Het aardige was dat in het Bolswarder veerhuis een gevelsteen was geplaatst waarop het paard naar Workum was gewend. Bovendien begon de postiljon van de postwagen hier zijn komst aan te kondigen door het blazen op zijn hoorn, hetgeen hij herhaalde tot hij het halverwege It Noard gevestigde postkantoor (later was jarenlang Wimertshôf daar gevestigd) bereikte.
Door de voor de wedstrijdrijders soms opengedraaide brug vervolgden de atleten hun weg naar de stempelplaats in het centrum van de stad. In 1909 zal Minne Hoekstra, de eerste officiële winnaar van de Tocht, dan vast wel de destijds nog redelijk imposante houtmolen hebben gezien en zijn gepasseerd, want de loop van de Djippe Dolte boog toen bij ‘de Zwaan” naar het westen af, een klein stuk over It Dwarsnoard, dat destijds nog als Noorderhaven (gedempt in het eerste kwart van de 20e eeuw) bekend was. Nu is de vroegere houtkolk waar de te verwerken boomstammen moesten inwateren, in een jachthaven veranderd.
Op dit stukje Dwarsnoard woonde - op thans nummer 71 - in de eerste helft van de 19e eeuw Wieger Ages Schoonhoven, boterkoopman en handelaar, een ‘hurde stânfries’ aldus ds. Wumkes in zijn boek ‘It Fryske Réveil yn portretten’, die in contact was gekomen met de dichter Bilderdijk. De laatste mocht er in het voorjaar op rekenen dat er vanuit Workum een mandje met kievitseieren bij zijn woning in Leiden werd bezorgd. Zoon Age Wiegers, die wethouder – ja feitelijk, volgens sommige bronnen, burgemeester - van de stad Workum was, zette na het overlijden in 1840 van zijn vader de boter- en kaashandel voort. Hij was toen zevenentwintig jaar. In die genoemde wethoudersfunctie wist hij het ambtsgebed met de tekst van zijn vriend Capadose bij de raadsvergadering ingevoerd te krijgen. Bovendien was hij een der ‘pommeranten’ van het Friese Reveil, een opwekkingsbeweging binnen de Hervormde kerk, en had daarover contacten met Groen van Prinsterer, Da Costa, genoemde Capadose en anderen. Met enkele medestanders, R.J. Visser, H. Schotsman en T.S. Ybema, die een achttal boerderijen bezat waaronder de verderop ter sprake komende stelp op ‘de Hoek fan de Stâl’, zorgde hij in 1859 voor een christelijke school in onze stad, die uit eigen middelen werd betaald.Van zijn huis – waar de familie Venema decennialang een bakkerij had – is bekend dat er via een ingenieus stangenstelsel in de woonkamer op de schoorsteenmantel op een kompas te zien was uit welke hoek de wind waaide. Ook had hij aan de overkant – op vermoedelijk nr. 64-66 - een pakhuis voor opslag van zijn handelsvoorraden boter en kaas. Hij stond bekend als een vurig ‘orangist’ en toen de toen ongeveer tienjarige prins van Oranje in gezelschap van Jhr. De Casembroot Workum in 1851 bezocht, werden de hoge gasten na stadhuisbezoek en andere plichtplegingen te hebben verricht, te zijnen huize ontvangen. Dat hij zeer gezien was bij de bevolking blijkt uit het feit dat tijdens het zogenaamde Broodoproer van 1847, waarbij in Workum het op de Trekdyk staande huis van de plaatselijke ontvanger Koopmans het moest ontgelden, het opstandige volk eensgezind besloot af te zien van represailles tegen Schoonhoven, die op ruim 55-jarige leeftijd op 9 april 1869 overleed. Hij ligt begraven op het ‘klein zuiderkerkhof” bij de toren, waar een zerk zijn graf markeert.
Net na de huidige brug doemen aan de oostzijde de contouren op van een sterk vervallen boerderij, die eens eigendom was van Bernard en Sytske Fluitman-Ydema. Dit echtpaar bezorgde uit eigen middelen de in 1877 gebouwde neogotische Rooms Katholieke St. Werenfriduskerk een nieuw orgel. Daarenboven bleek bij hun overlijden in het begin van de 20e eeuw dat de boerderij in bezit kwam van de parochie, die de boerderij met landerijen verhuurde aan de familie J.P. Kuipers, een in Workum bekende veefokker. Diens zonen kochten later de boerderij van het kerkbestuur. Hun bedrijf werd door stadsuitbreiding en in combinatie met de ruilverkaveling in deze contreien naar It Heidenskip verplaatst.
 Het echtpaar Fluitman, dat kinderloos bleef, kreeg op de achter de St. Werenfriduskerk fraai aangelegde dodenakker als ‘weldoener der parochie’, een gedachtenismonument, dat in Herenthals (België) werd vervaardigd, waar het echtpaar bijna levensgroot is afgebeeld als St. Bernardus en St. Caecilia. De laatste, afgebeeld met een klein orgel, is bekend als patrones van vooral de kerkmuziek en haar naamdag valt op 22 november. Aan de andere zijde direct naast de brug was in vroeger tijden een hoefsmederij gevestigd, een bedrijf dat waarschijnlijk wel handelsconnecties zal hebben gehad met de Peerdestal, want zo eens per maand moet een paard worden beslagen. Bovendien stond Workum lange tijd bekend als ‘karrestêd’ en de voor de karren gespannen paarden moesten natuurlijk allemaal regelmatig van nieuwe hoefijzers worden voorzien. Daarnaast kenden de wagens, karren en voertuigen veel ijzeren onderdelen en beslag. Ook de vele scheepshellingen (in de 18e eeuw wel een 13-tal), wagenmakers en niet te vergeten boeren waren afnemers van ijzer- en smeedwerk, zodat er voor smederijen genoeg emplooi was.
In de jaren vijftig was hier het parcours van de Ronde van Workum, die start en finishplaats had op It Dwarsnoard en – tegen de klok in - via de Trekwei over de Prystershoek voerde. In 1955 werd deze ‘wielerklassieker’ gewonnen door de bijna ‘oer eigen hiem’ fietsende – want woonde op It Dwarsnoard - Workumer Durk Venema, die tijdens de net iets eerder gehouden Amateurronde van Leeuwarden als beste Fries op de 10e plaats eindigde. Winnaar werd Ab Geldermans de latere meesterknecht van vijfvoudig Tourwinnaar Jacques Anquetil. In 1956 won Durk Venema de prestigieuze 90 kilometerlange Elfstedentocht voor Nieuwelingen, een prachtige en nog altijd aansprekende overwinning.
 
De Ronde fan Warkum
Toarkjend sinneljocht tsjemzet lâns it brodzige, skieppewollene
Forwulft; near hjoed, miskien in tongerbuoi, aensens.
Op It Dwarsnoard ropt, switflekken yn it crackfreestisele, al knûkelige
Boesgroen, de omropper de renners – nûmmers mei koaikerspjelden
Op ’e rêch prikt – nei de jister fan de start.
Hastich kliuwt de jury, breedgalgich, op ’e frachtwein; it tearich
Dekkleed wurdt oan ’e kant reage wylst de kamprjochter earst
Noch gau in bolknak yn ’e brân jaget. De renners, strakke koppen,
Kûten glêd, hurd, roppich stuiterbantsjend foar de streek, dy ’t
Ronfelich de blaukoperne strjitte midstwa partet as middenmank
De skerpe rook fan dr. Sloans, dérailleuroalje en krekt jarre lân in
Jachtgewear heas dit kleurich lyts universum, nóch yn ’e losse stringen,
Yn twaën sjit. In skoech rekket, efkes mar, út de toeclip, knarseltoskjend
Ketlingen kreakje en stadich as ‘de Blauwe Ingel’ dieselet it peloton
Himsels op gong, krekt foar de Súdwesthoekebus út. Gau al balt
De blikkene omropper sprintpreemjes – in ryksdaelder, in skimerlampe,
In pear tubes, in poun droege woarst en soks mear - stjitterich oer it Parcours. As in ilestiken carrousel fjouweret in snuvende kloft inRounte letter der sigeseagjend op ta, dan hieltiid fierder de middei yn,
Wylst de tiid hymjend krytwyt oer it rounteboerd wisket. Einliks los,
Waeijeret omtrint in snies koprinners as in keppel ûnbironge Arabieren,
Noasters wiid en snuvend, oer de swarttarre Prystershoeke, dounset by ’t
Earnstichgrize Sint Gertrudis de bocht om, giselt as in blynkape wynhoas
It Dwarsnoard wer op. Dêr!!, ynienen in reade Eroba toppet oer de
Fiskbonkige klinkerts, rekket it roastichgriene plantsoenstekje. “Stomkop,
Sjoch potfordomme better út dyn doppen, kloat!” Grimmitige lilkens
Smoart yn ’e skille foar de lêste rounte. It publyk hinget longerich tsjin
De touwen; by ‘de Zwaan’ gûle de remmen. Der dûkt ien op in pak
Strie, goudgiel as de trui fan Gastone Nencini. Mismoedich, knibbel
Tsjok en iepen, slach yn ’e tsjille, hinkelet er nei de garaezje fan
De ‘Combinatie Stad Workum’ en sjocht noch krekt hoe ’t in matsjedoar
Yn swarte trui mei giele stjerren as earste oer de streek daveret.
 
Omdat er wel eens een burenruzie was geconstateerd ontstond, passend in de Workumer traditie, volgens overlevering deze volksnaam. Toen enkele jaren later iets noordelijker de er haaks op aangelegde nieuwe straat Balkfinne ontstond, genoemd naar de weide (finne) waarop de voorraad balken lag van de even hiervoor gememoreerde houtzaagmolen, kreeg deze straat de weinig vleiende naam Mau Mau, naar het geheime genootschap dat ca. 1953-1955 voor onafhankelijkheid van Kenia streed.
 
 
 De rijders van 1954 passeerden de toen pas aan de westzijde van de Djippe Dolte in gebruik genomen etagewoningen, een unicum destijds in Workum, aan de Doltewâl, maar aanvankelijk heette deze buurt in het dagelijks spraakgebruik een tijdlang “de Koreabuurt”, die men via een geïmproviseerde schipbrug - een praam met opbouw - kon bereiken. Ten tijde van de bouw en oplevering woedde de Koreaanse oorlog (1950-1953), met onder de vlag van de Verenigde Naties ook een Nederlands detachement.
(N.B.: Mau Mau schijnt in de taal van de in genoemd land wonende stam Kikuyu de afkorting zijn van: ‘Muzungu aende uraya Muafririca apate uhuru’, dat vertaald ongeveer zou betekenen: Blanke mensen horen thuis in Europa; zwarte Afrikanen zouden onafhankelijk behoren te zijn, aldus een niet meer bij name bekende bron in een landelijk dagblad)
Even verder heeft aan de Wimerts heel lang direct in de buurt van de fraaie Doopsgezinde Vermaning (AD 1694), wier predikant ds. T. H. Siemelink in 1903 een vrij volledige – nog altijd veel geraadpleegde - geschiedschrijving van onze stad voltooide, een der oudste bedrijven van Workum gestaan, de pottenbakkerij van de firma De Boer, een bedrijf dat ca. 300 jaar in Workum gevestigd is geweest. Hier werd het bekende ringeloor-aardewerk en het vrij unieke kerfsnee-aardewerk vervaardigd. Het zogenaamde ringeloren geschiedde met behulp van een runderhoorn, waarin het witte kleislib werd gegoten, die via een kleine opening in de punt van de hoorn naar buiten kon komen.
Geen wonder dat de woningbuurt die hier op het vroegere terrein werd ontwikkeld de naam Pothúswyk ontving. Daarmee werd tevens beoogd het feit te benoemen dat toen de Djippe Dolte werd gegraven er vele kleine opvaarten, of ‘wiken’, ontstonden naar de achterzijden van de erven langs It Noard en Súd om zodoende boeren, handelslieden en winkeliers te kunnen bereiken. Ook werden deze ‘wiken’ benut om met een praam de ‘húsketontsjes’ op te halen, waar dat vanaf de straatzijde niet of moeilijk mogelijk was. Enkele van die ‘wiken’ zijn nog wel herkenbaar, o.a. bij de Stêdspôlle.
Aan de overzijde van de Djippe Dolte, gegraven in de 16e eeuw waar het woord Dolte (van dollen = graven) ook op wijst, ligt de in de jaren vijftig en zestig van de 20e eeuw vorm gekregen nieuwbouwwijk Oer de Dolte. Eertijds was dit land eigendom van de familie Haagsma, wier boerderij - gelukkig maar - nog in volle glorie aanwezig is. Op deze in de 19e eeuw eens afgebrande monumentale stelpboerderij werd in 1938 een der beste stieren van het toenmalige Fries Rundvee Stamboek geboren, nl. Adema 25437, bijgenaamd ‘de Wytsturt’ omdat hij, zoals zijn fokker Siebe Haagsma bij de geboorte tot zijn verbazing moest constateren, een geheel witte staart had. Na een imposante loopbaan binnen het stamboek, waarin 13 maal een bekroning werd behaald, stierf deze ‘Wytsturt’ in 1952. Ongeveer in diezelfde periode (begin jaren vijftig dus) bracht de bekende Nederlandse schrijver Nescio (van ‘Titaantjes’ en ‘de Uitvreter’) een bezoek aan Workum.Volgens een vermelding in deel II van diens verzameld werk kocht hij hier in een winkeltje – waarschijnlijk in de buurt van de Merk - twee sigaren, maar hij verwonderde zich over het enorme assortiment dat die winkelman voerde: “manufacturen, spek, hoepels, aschbakken, koppen en schotels en koperen bloempotten, touw, stijfsel, jam, gedroogde appeltjes, suiker, tabak, sigaren en pijpen”.
Net voor de Beginebrêge was aan de westzijde van de Djippe Dolte eind 19e eeuw de dakpannenfabriek en touwslagerij van de fa. Tjeerd Abbringh Hingst gevestigd en de huidige nieuwbouwbuurt op die plaats is daarom met de naam Panwurk getooid. Er tegenover in het plan ‘Oer de Dolte’ heet de langs de Djippe Dolte lopende laan Inthiemasingel, genoemd naar een invloedrijk geslacht in de Workumer geschiedenis, waarvan enkelen het burgemeestersambt bekleedden en het Waaggebouw in 1650 geheel nieuw lieten optrekken. Ook de bij schaatsers en watersporters bekende Inthiemasloot, de vaarweg tussen de Zandmeer en de Fluessen, werd door deze familie – maar natuurlijk niet letterlijk - aangelegd. Ongeveer tegenover het panwurk van Abbringh Hingst ligt aan het eind van it Turflân het korte straatje dat Tiaralaan is genoemd, naar professor Petrejus Tiara, die onder meer de eerste rector magnificus was aan de Hogeschool van Leiden. Ook aan de Akademie van Franeker is hij hoogleraar geweest.
Eveneens vindt men in het plan ‘Oer de Dolte’ de straatnaam ‘it Fortún’. Dit was de naam van een daar aanwezige zoutkeet die wellicht de toekomstige financiële status van de zoutbereiders wilde illustreren. Zout, hier gewonnen uit het zoute water van de Zuiderzee, was eeuwenlang een belangrijk handelsartikel. Zelfs van een dusdanige importantie dat het woord salaris is afgeleid van het Latijnse woord voor zout, want Romeinse legioensoldaten werden soms gedeeltelijk in zout betaald, een onontbeerlijk artikel in de strijd om het bestaan. Gezien de zware trainingen en lange dagmarsen hadden deze legionairs zeker wel eens behoefte aan een ‘flaubyt’.
 
Dokter Albada Jelgersma* hie in wente mei in kampke groun op ’ t Súd.
By sterk iis skreau hy op dat dan ûnderstrûpt stik lân riderijen út.
Dy wiene allinnich foar skoalbern ornearre
En waerden op koeke en poeijermolke traktearre.
Tthús, mei prykjende hânnen,  fortelden dy bern hûndert út.
                                  
 
                                               * wie hjir likernôch 1900 húsdokter
 
Bij de Beginebrêge stond aan de oostzijde (nu it Turflân) tot in de 16e eeuw het klooster Maria-acker  dat na de troebelen van de hervorming teloor ging. Later heeft hier nog een kolfbaan gestaan. En ook was tot de jaren tachtig van de 20e eeuw op dat terrein de in landbouwerskringen bekende firma Wed. W.S. Bakker gevestigd. Zij maakten op markten en in advertenties reclame voor de door hen vervaardigde landbouwgereedschappen - kruiwagens, drinktroggen, snijzeisen, vangkooien, mestvorken, hekkels, harken, etc. - met de slogan: “Werken met gereedschap van Bakker, het beste voor stal en akker”. Toen in de jaren zeventig prinses Beatrix en prins Claus met de kinderen in haar jacht ‘de Groene Draeck’ Workum aandeden, was een der firmanten Bakker er als de kippen bij om de familie een door de firma vervaardigde houten kinderkruiwagen aan te bieden, die bij filmbeelden van de spelende jonge prinsen nog wel eens te zien is.
 
Deun njonken de Beginebrêge hie Douwe Huitema buorkerij
Mar simmers weid’ er op it Strân syn kij
Antsje, syn dochter, fytste yn overall tsjin melkerstiid dêr hinne
Sittend op ’e tuolle koe, de kij yn ’e jister, it melken bigjinne
En dan nei hûs mei in kantsje molke oan ’t stjûr foar de brij
 
Direct na de Beginebrug ligt aan de westzijde van de Djippe Dolte de plaats waar de gladiatoren van de Tocht sinds 1985 hun stempel op de kaart krijgen. Hier was ooit een grote stadsboerderij gevestigd, waarin aan het einde van de 19e eeuw een groothandel in koloniale en andere comestibleswaren was gevestigd. In de jaren vijftig woonden er een aantal gezinnen in. In 1961 werd de vervallen boerderij – bekend als ‘de Pleats’ en in de laatste ‘levensjaren’ opslagplaats voor de ‘swarte brant’ van de kolen- en oliehandel van Jaap Wiersma - gesloopt en verrees het huidige cultureel centrum “de Klameare”, een raadselachtige naam afgeleid van de in de volksmond zo genoemde nis aan de westzijde in de toren. Volgens sommige onderzoekers diende deze nis, die ruim een meter boven straatniveau zit, om iets aan het volk bekend te maken. Indien dat juist is moet de naam ‘Klameare’ verband hebben met het Latijnse ‘clamare’ dat omroepen, bekend maken kan betekenen. Op de achtergrond is duidelijk zichtbaar de St. Gertrudiskerk, eigendom van de protestantse gemeente Workum die in 2005 ontstond uit een fusie tussen de Hervormde gemeente en de Gereformeerde kerk. Deze aloude door een bisschop gewijde parochiekerk domineert al circa 530 jaar het silhouet van de stad. De zware toren diende in de 16e eeuw de Friese zeeschuimer Grutte Pier al eens tot schuilplaats en heeft volgens sommige geschiedschrijvers dienst gedaan als vuurbaken voor de scheepvaart.
Het kleine stukje vaarwater –de Skilwyk - ernaast leidde naar de plaatselijke gasfabriek, die aan het eind van de 19e eeuw was opgericht en in bedrijf gesteld. Tot de jaren vijftig was het straatbeeld dan ook versierd met de karakteristieke gaslantaarns, die elke dag moesten worden aangestoken en gedoofd. Een hele klus voor de ‘opstekker’ die daartoe op de fiets – met op de schouder een kleine ladder met speciale haken - door de gehele stad moest, weer of geen weer!
 
Jierren hat by de Nonnestrjitte nûmmer ien
It Warkumer gasfabryk stien
Direkteur Stam wie in man fan kwizekwânsje en postuer
En op syn Solex – segaer oan – in bikend figuer
As foarsitter hat er in protte foar de fuotbalclub dien
                       
Op de hoek met de Dolte was ook hier op de Nonnestrjitte in historische tijden een zoutkeet, al eerder ter sprake gebracht, gevestigd. Aan de tegenoverliggende oostzijde is achter de Emmabuert - de kade waar in het verleden de ‘slaapschepen’ voor de deelnemers aan de Friesche Elfsteden wandeltocht afmeerden - het terrein waarop sinds de jaren zestig de aardewerkfabriek van de al gememoreerde fa. De Boer stond, maar waar tot die gewijzigde bestemming een bloeiende zuivelfabriek, ‘de Leijmpf’, was gevestigd. Dit was vaak een zwak punt in de elfstedenroute omdat de fabriek het warme afvalwater rechtstreeks in de Djippe Dolte loosde. Bij strenge vorst vroor het wak grotendeels dicht, maar werd dan - van de nood een deugd makend - door de brandweer opengehouden. Trouwens op meerdere plaatsen langs de Djippe Dolte werd in tijden van vorst een bit gehakt, dat werd afgedekt met een rood geverfd houten plankier om aan te geven dat dit een voorziening van de brandweer was, die zo aan bluswater kon komen. Direct naast ‘de Leijmpf’ (de Leeuwarder IJs- en Melkpoederfabriek) was de gemeentelijke ziekenzaal gevestigd, die enigszins buiten de stadsbebouwing werd gebouwd, naar men zegt om patiënten die met een besmettelijke ziekte waren opgenomen, enigszins van de bevolking te isoleren. Later deed dit gebouw dienst als Lagere Landbouwschool en nadat daarvoor in het plan ‘Oer de Dolte’ een nieuwe locatie was gevonden, heeft het nog als muziekschool dienst gedaan en de laatste jaren was er de praktijk van een der huisartsen die Workum rijk is gevestigd. Sinds de huisartsen en de apotheker verhuisd zijn naar nieuwbouw aan de Spoardyk, ter hoogte van ongeveer waar ooit het zogenaamde ‘Petroaljehûs’ was gelegen is de toekomst van het gebouwtje onzeker. Overigens verdween het landbouw- en muziekonderwijs uit onze stad en de Mulo, later omgedoopt tot Mavo, aan de Aldewei (en later nog in de nieuwe landbouwschool) onderging hetzelfde lot.
In de jaren zeventig en tachtig werd het aan dezelfde zijde gelegen uitbreidingsplan met de naam ‘de Finnen’ en aansluitend het meer zuidelijk gelegen plan ‘Bascohof’ gerealiseerd, genoemd naar de boerderij van burgmeester Basco die daar gesitueerd was. Nadat aan de westzijde de Stêdspôlle is gepasseerd, een open terrein dat wellicht behoorde bij het Inthiemahuis, een versterkt soort woonhuis van de al gememoreerde familie Inthiema, komt men terecht bij de Kettingbrêge, die minimaal twee voorgangers heeft gehad, die beide op een andere, meer zuidelijker plaats waren gelegen. Trouwens de legendarische voorzitter van de Workumer ijsclub–en elfstedenveteraan – Ynte Huitema boerde jarenlang aan de rand van de Stêdspôlle; zijn ‘stêdsbuorkerij’ met de zwarte houten schuur, vermoedelijk in eerder tijden een van de circa 13 scheepswerven die Workum rijk is geweest, is er nog. Huitema volgde daar zijn schoonvader Wopke Bruinsma op. Die was in een groot deel van Fryslân bekend als ‘striker’ en was een zoon van Foppe Wopkes Bruinsma, die als pauselijk soldaat bij het regiment Zouaven in 1867 meevocht tegen de Garibaldisten in de slag bij Mentana in Italië, een stadje circa 20 km ten noordoosten van Rome. Hij was een van de elf Zouaven die afkomstig waren uit Workum. In de St. Werenfriduskerk is ter gelegenheid van het gereedkomen van de grote restauratie en haar 125-jarig bestaan op 23 september 2003 een plaquette onthuld door mevrouw Jeltje Huitema-Bruinsma, ‘pakesizzer’ van Foppe Wopkes Bruinsma, die deze parochianen gedenkt. Overigens gebruikte deze Wopke Bruinsma bij zijn genezende activiteiten het zogenaamde Zouavenkruisje dat paus Pius IX zijn vader persoonlijk had overhandigd voor zijn deelname aan de genoemde veldslag, maar daar zullen heel weinig van zijn patiënten weet van hebben gehad.
 
Halverwege dit deel van de route staat aan de Wimerts op It Súd 53 het huis waar ooit Klaas van der Meulen (destijds bekend als 'âlde Klaes kuormakker’) woonde, die de in december 1832 verdronken winkelmagnaat en mede-bedenker van de warenhuisformule Joseph Maurits Anton Sinkel (geboren 23 september 1798 te Cloppenburg, Duitsland) pas in mei 1833 op de zandbanken van de Zuiderzee bij Workum vond. Sinkel, toen 34 jaar oud en slechts enkele maanden getrouwd, verdronk op zakenreis van Leeuwarden naar Amsterdam. Aan de zuidkant van het monumentale kerkhof rondom de St. Gertrudiskerk houdt een imposante grafzerk, waarop dit trieste verhaal in korte bewoordingen is uitgebeiteld, zijn nagedachtenis in ere.
 
 
 
De Ballade fan Sinkel
(of de wûndere paden fan it lot)
 
Joseph Sinkel, in lapkepoep út Cloppenburg
Siet it hanneljen yn bonken en murch.
As hantsjemier kaem er mei syn bruorren rinde út Dútsklân wei,
Yn in koer op ’e rêch namen hja moaie stoffen mei.
Stiloan wreide de negoasje him út en gie d’ omset omheech,
Mar it gepoatel mei in swiere marse waerd harren to dreech.
Wy soene, ornearre Anton, de âldste, ek ús brea fortsjinje kinne
As wy, tinkt my, in winkel bigjinne.
Dan moatt’ w’ ús net biheine ta lekkens en doeken,
Mar ek figematten forkeapje en rûkersguod, broeken,
Hoazzen, himden, skuon, galgen, wyn, petten,
Dêrnjonken konfeksjeklean, bêdden, korsetten.
Letter ek salven en swieteprikke tsjin jicht, snobberij,
Kachels, pillen, figen, papier en hwat smokerij.
Sa ’t it patroan naeid waerd, wie it ek snien:
Anno 1822 waerd it suteljen mei de koer oan ’e kant dien.
Tonei waerden stoffen by ’t weinfol op ’e Leipziger Messe kocht,
Dêr ’t Anton, mei hynsder en wein, elts jier in bisite oan brocht.
’t Earste Sinkelmagazyn yn Amsterdam roun daliks as ’t spoar,
Moarnsier stie op de Nieuwendijk al folk foar de doar.
Dat nijs fleach as diggelfjûr troch de buorren,
Lûkte noch mear folk nei it warehûs fan de bruorren.
De jildsjitter, earst erchtinkend, sykhelle forromme,
Sûnder tûkelteammen wie it skiep troch de daem kommen.
Dizze earste wol as revolusionair to bineamen sprút
Waechste ta in hannelsimperium út.
Ljouwert krige 1827 op ’e Nijstêd in filiael fan ’t Magazyn
En dêr swaeiden Hermann en Joseph de skepter yn.
De oare inten oan de Sinkelstam
Waerden Utert, Leijen, De Haech en Rotterdam.
 
Mar op in reis ein desimber mei ’t fearskip út Harns
Griep, wy skriuwe 1832, it Needlot syn kâns.
Mei kalme wyn sylde it skip de haven út.
Joseph, oktober krekt troud, siet stoareagjend foar ’t rút.
Ienris op sé boaze de wyn nochal oan,
Hy gûlde troch ’t want op driigjende toan.
It skip bigoun op de weagen to stampen,
Joseph waerd mislik en krige krampen.
Hy stapte oerein, woe nei bûten ta
Hwant hy moast pisje en frisse lucht ha.
Yn de warring fan de stampende aek
Stie er to hispeljen mei syn broek, koarre omraek.
Wylst brûsden hege weagen om en oer ’t skip
Hwat der wier barde, nimmen dy ’t it wit.
Moast er him loslitte om de broek ticht to dwaen,
En krige it skip doe fan de weagen in wraem?
Mei in yslike gjalp, dy ’t gjinien heard hat,
Hat it Needlot him doe – 34 jier âld - by de kraech pakt.
 
Op hwat wy neame it Gaesterstrân
Spielde âlde* maeije 1833 in lichem oan.
Op in haeiwein waerd it omskot nei Warkum ta brocht
En troch de chirurgijn yn de Waech ûndersocht.
It bliek Joseph Sinkel, dy fan de winkel, to wêzen.
It drama stiet, hiel koart, op syn grêfstien to lêzen.
Dy middei tôgen de dragers mei de bier it Skil yn it roun,
Nei trije omgongen waerd er bidobb’ yn syn grêf yn ’e groun.
 
It skaed fan it lot foel al bitiid oer him hinne
En neffens de Griken kin gjinien dat ûntrinne.
Dus minske bitink: bigjinst nei de lodde to rûken,
Sil Charon mei gauwens dy yn syn boatsje de Styx oer lûke.
 * = 12 maeije
 
 
(* het begrip âlde maeije ontstond in 1701, toen in Nederland de Gregoriaanse kalender werd ingevoerd en gelijktijdig de hier tot dan nog gebruikelijke Juliaanse kalender werd afgeschaft, die niet correct was en achter liep op de toen elders in Europa al bijna twee eeuwen gebruikte Gregoriaanse kalender. Om niet langer uit de toon te vallen – en ook met minder kans op fouten in gemaakte afspraken, etcetera – werd tot deze maatregel besloten. Die hield in dat na 31 december 1700 het de volgende dag 12 januari 1701 was. Ook was voordien het nieuwjaarsfeest op 1 mei, daar een jaar van 1 mei tot 30 april liep. Ook werden op die datum langlopende arbeidscontracten afgesloten. In dit gebruik kwam, zeker bij de wat traditioneel ingestelde plattelandsbevolking, geen verandering. De 12e mei was dus in de beleving van de bevolking eigenlijk de 1e mei en aan die datum werd nog lang vastgehouden, vooral in de agrarische wereld om contracten aan te gaan of op te zeggen. Er werd tot ver in de 20e eeuw op of omstreeks die dag getrouwd, eigenlijk eveneens een vorm van een contract afsluiten.
Rond die 12e mei was het dan ook redelijk druk op de Friese (vaar)wegen met arbeiders, boeren ook, die naar hun nieuwe bestemming verhuisden).
 
 Net voor de Kettingbrêge ligt, nadat het perceel waarop vroeger het ‘fellebleatershok’ stond is gepasseerd, aan de oostkant van It Súd op nummer 109, of 111 daarover verschillen de meningen, het geboortehuis van Tjipke Visser, de man die voor de St. Gertrudiskerk de doopvont en beelden op de koorbanken en die in de luifel daarboven vervaardigde. Ook de Avondmaalstafel met bijbehorende zetel en lezenaar – waarop een ‘ielgoes’ – is van zijn hand. In genoemd huis werd in 1797 de thans als Worckumer Kamer bekende tegelwanden en karakteristieke betimmering aangebracht. Het huis wastoen van S.A. Potma, een der overgrootvaders van Tjipke, wiens vader een houtzagerij had.  Deze kamer, die vele jaren deel uitmaakte van de collectie van het Fries Museum, is sinds een aantal jaren terug in Workum en is geïnstalleerd in de voormalige pastorie van de St. Werenfriduskerk, waar het nu deel uitmaakt van het Museum kerkelijke kunst, dat daar gevestigd is. Van Tjipke Visser (8176-1955), die het grootste deel van zijn leven in Bergen (N.H.) doorbracht is nog veel werk in musea en particulier bezit aanwezig. Zijn enige dochter Marijcke heeft als zilversmid veel erkenning binnen de Nederlandse kunstwereld verworven. Van haar is in Workum in het verenigingsgebouw “Oer de Toer” op het terrein van de vroegere Openbare School nog een monumentaal kunstwerk aanwezig, een plastiek, betrekking hebbende op veeteelt en landbouw dat oorspronkelijk was aangebracht in de aula van de Landbouwschool die Workum tot in de jaren zeventig van de 20e eeuw rijk was. De urnen met de as van vader en dochter werden bijgezet in het familiegraf op het groot zuiderkerkhof bij de St. Gertrudiskerk, alwaar een door Marijcke Visser uit rode zandsteen vervaardigd grafmonument de herinnering voor altijd – want de steen mag ingevolge een besluit van B&W van de vroegere gemeente Workum niet worden verwijderd - aan deze beide kunstenaars en hun familie levend houdt.


Op de hoek waar het restaurant ‘Sluiszicht’ is gelegen stond eertijds het Hervormde verenigingsgebouw ‘Rehoboth’, waar onder meer in 1954 en 1956 de stempelpost van de Tocht was gevestigd.
Tot de jaren voor Wereldoorlog I (1914-1918) kwamen in het voorjaar, rond Pinksteren ongeveer, grote groepen Duitse en ook wel Groninger koemelkers en boerenknechten naar Fryslân - en ook naar Workum - om te helpen bij de hooioogst. Bij de Waag op de Merk was de verzamelplaats waar boer en knecht (een flexwerker zouden we nu zeggen) elkaar troffen en de arbeidsvoorwaarden overeenkwamen om ‘it hea yn ’e golle to krijen’. Zondags werden er in ‘Rehoboth’ godsdienstoefeningen in hun eigen taal gehouden voor de protestanten onder deze ‘gastarbeiders’, beter bekend wellicht als ‘hannekemaaiers’, ‘mieren’ of  ‘poepen’ (afgeleid vermoedelijk van het Duitse Buben = jongen). Velen ook gingen op die dag naar de kapper, die hen voor drie centen van hun stoppelbaarden afhielp.
Gezien de prijs van de scheerbeurt, aldus een op schrift gestelde overlevering van een niet bij name bekende âld-Warkumer, mochten de ‘slachtoffers’ er niet op rekenen dat zij met de beste messen werden geschoren.
 
 
 
 
 
 
 
Jan Rekers wie in kapper fan gewicht:
Likernôch 248 poun oan ’t hingster, dat ’s net licht.
Doe ’t er nei in boer yn ’t Heidenskip to skearen soe,
Bliek dat de hikkepeal him en syn fyts net hâlde koe.
Nei in forskjinning fan dy boer die er syn plicht.
 
 
In 1954 werd bij deze stempelpost aan de matadoren van de Tocht een bord Brinta-pap – om ris to priuwen - geoffreerd. Overigens was dit ook een van de punten waar in tijden van gevaar de brug werd opgehaald. Tegenwoordig is dat stuk vaart gedempt, maar lange tijd was hier nog wel een doorgang door middel van een kleine duiker (“in pypke”) die de verbinding tot stand bracht tussen de Djippe en de Droege Dolte. De op deze ‘pijp’ gebouwde garage heeft van de eigenaar de toepasselijke naam ‘ ’t Pypke’ gekregen en de daar eerder gevestigde sigarenwinkel ging onder dezelfde naam door het leven, waarbij de toenmalige eigenaar gemakshalve ook deze benaming aan zijn voornaam kreeg toegevoegd. Hier is op de Wimerts het keerpunt van het al meer dan 100 jaar bestaande concours-hippique dat elk jaar op de vierde woensdag van september op de straatklinkers van de Wimerts wordt gehouden, nadat in de morgenuren op de Merk, waar in 1817 de eerste spaarbank van Nederland werd opgericht door de plaatselijke afdeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, de keuring van stamboekkoeien heeft plaatsgehad.  
Op nummer 137 net na de huidige Kettingbrêge was een kleine manufacturenwinkel gevestigd. Toen in april 1945 Workum door de Canadezen werd bevrijd, sprak deze kleine zelfstandige tot onze bevrijders de legendarische woorden: “Kom in my house, de koffie is brown”.
Het grote statige huis op nummer 142 stond jarenlang bekend als ‘it minskepakhûs’, een naam die voor zich spreekt. Maar rond 1880 woonde hier Feike Visser. Hij was eigenaar van een apotheek en bezat tevens twee dakpannenfabrieken. Hij ging op zondag regelmatig met zijn koets en gespan door Workum, vergezeld van zijn palfrenier Piet Duba. Tegenover zijn woning had hij op de huidige Snakkerburren een tuin, die zomers veel bekijks trok vanwege de bonte kleurenpracht. Op het al genoemde ‘klein zuiderkerkhof’ bij de toren markeert een nog in goede conditie zijnde zerk het graf van Feike Visser.
 
 
 
 
 
 
         Dan nadert men het aan de westzijde gelegen oude pad naar de sluis, it Sylspaed. De weg maakt hier een vrij scherpe slinger waaraan op Súd 154 de monumentale stelpboerderij ‘Op ’e hoek fan ’e Stâl’ is gelegen. Op deze met kenmerkende schoorsteenornamenten getooide boerderij - ooit eigendom van de reeds ter sprake gekomen T.S. Ybema, die blijkens de nog aanwezige gevelsteen op 28 juli 1876 de eerste steen ervan legde - werd een der meestbekroonde koeien van de jaarlijkse Veekeuring geboren en wel Rika 49. De trotse fokker Pieter Yme van der Valk wist met deze fraai ogende en adel uitstralende koe in de jaren 70/80 vijfentwintig maal een eerste premie te verwerven. Een prestatie die tot nu toe niet werd geëvenaard.
In de 18e eeuw was op deze plaats echter een herberg met dezelfde naam gevestigd. Fryslâns bekendste paard uit de tweede helft van die eeuw, Mâlle Jan, eigenaar Hette Eelkes Altena die in 1768 hier burgemeester was, werd bij die herberg aan een Amsterdamse koopman verkocht, waarbij het paard toen een voor hem speciaal vervaardigd, met borduurwerk versierd, dek droeg. Mâlle Jan, waarschijnlijk behorend tot wat nu officieel als Fries ras te boek staat, won welgeteld 35 gouden en zilveren zwepen bij de destijds meestal door herbergiers uitgeschreven draverijen (onder de man, in tegenstelling tot wat men tegenwoordig onder draverij verstaat), die enorm populair waren. Tegenover deze boerderij ligt de Burevaart waarover de schaatsers vanaf Hindeloopen de stad binnenkomen. Zij zijn dan op circa een kilometer voor Workum in het zogenaamde Workumerveld de boerderij ‘sathe Westerein’ gepasseerd. Hier woonde in de 19e eeuw familie van de bekende schrijver ds. Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869) en zodoende logeerde hij daar zo nu en dan. Enkele van zijn ‘yn oparbeidzjen mei syn bruorren’ Tsjalling en Eeltsje geschreven verhalen in de ‘Rimen en Teltsjes’ zijn hier tot stand gekomen, o.a. het bekende ‘de hoanne fan sathe Westerein’. Ook komt in het daarin opgenomen gedicht van Eeltsje ‘It Pelsrjocht’ de Workumer ‘Ligersbolle’ ter sprake. Bovendien schreef hij zo ongveer vijftig jaar na dato een gedicht over het hiervoor genoemde paard Malle Jan, dat toen nog steeds tot de verbeelding van de liefhebbers sprak.
 
De Tocht van 1929 ging ‘om de Noord’ en dus naderden de drie koplopers, waaronder de latere winnaar Karst Leemburg, Workum vanaf Bolsward over de Trekfeart. Bij de ‘rolpeal’, het draaipunt voor de trekschuit tegenover de spoorbrug over It Fliet, sloegen zij niet rechtsaf naar de stad maar gingen rechtdoor de Horsae op, de vaart langs de coöperatieve zuivelfabriek. De stempelpost was daar tegenover gevestigd in het Stationskoffiehuis, nu ‘café Spoarsicht’, waar op het tegenover liggende land een tijdlang de ijsbaan is gevestigd geweest, tegenwoordig een klein industrieterrein met de naam Horsae. Zoals de destijds daar aan die vaart wonende jeugdige Cees van den Akker, later de fokker van de legendarische Friese preferente hengst Ritske 202 (geboren 1955), vertelde, schaatste in de Siberische kou Karst Leemburg langs hun boerderij. Hij, Cees dus, stond als ‘opslûpen jongfeint’ beschut tegen de wind in de luwte van een grassilo en vergat nooit meer die kolenboer in de witte trui.
 
De achter it Sylspaed gelegen Djippe Dolte deed soms in vroeger tijden, toen Workum nog geen ijsbaan had, dienst als zodanig. Een der betere rijders uit de Workumer ijshistorie, Jan Jans Buwalda, won hier in 1871 een fraaie leren tabaksdoos met een inscriptie op een zilveren plaatje. Hij werd geboren aan de Alde Dyk, ter hoogte ongeveer van waar in 1825 de door de storm hoog opgezweepte golven die het Workumer Nieuwland al hadden ‘veroverd’ een gat in de oude slaperdijk sloegen waardoor It Heidenskip - en grote delen van de provincie - onder water kwam te staan. Het brakke water van de Zuiderzee zorgde nog lang voor moeizame jaren voor de boerenbevolking (in “de Oerpolder” de roman van Hylke Speerstra is deze ramp een van de rode draden). Ook zal de wellicht beste schaatsenrijder die Workum heeft gekend, Rinke Jans van der Zee (eind 19e eeuw) hier wel eens een wedstrijd hebben gewonnen. Deze befaamde atleet kwam zelfs in Noorwegen in de baan tegen de Noor Axel Paulsen, maar die strijd verloor hij wel. Volgens de kenners lag een mindere getraindheid ten grondslag aan deze nederlaag, die overigens door de uit Grouw afkomstige Benedictus Kingma werd gewonnen. Trouwens ook de Polkefeart, gelegen naast de huidige ijsbaan en lopend tot aan de Nijlânner Moune, deed wel als ijsbaan dienst.


 
Rinke van der Zee wie as matsjedoar op redens, faek nûmmer ien,
Mar yn it Noardske Christiana is it him oars forgien:
Axel Paulsen woun de preemje, Benedictus Kingma de priis,
Hwant neffes de parse kamen dy better traind op ’t iis.
Winliken, sei de krante, hie Rinke to min op redens stien.
                                              
 
Het einde van de tocht komt in zicht, bij de nadering van de sluis met daarnaast de eeuwenoude (van 1693) ‘skipshelling De Hoop’, die in 1963 als stempelpost fungeerde, omdat de route vanaf Hindeloopen over het gangbare traject langs de oude slaperdijk van de Zuiderzee over de ‘Dyksfeart’ wegens hoog opgewaaide sneeuw onbegaanbaar was geworden en men via het IJsselmeer naar Workum moest. Het spreekt dat er toen een stevig stukje gekluund moest worden.
In de 18e eeuw was aan de oostkant van de Djippe Dolte het gebied waar vele kalkbranderijen, een houtzaagmolen en later tot de jaren zestig een limonade-, annex sago/stijfselfabriek van Jansen en Lohman met het legendarische telefoonnummer 1, waren gevestigd. Op oude kaarten ziet men de karakteristieke ovens afgebeeld waar de uit de Zuiderzee geviste schelpen werden gebrand tot kalk, dat vooral voor bouwactiviteiten werd uitgevoerd naar Bremen. Tegenwoordig is op deze landerijen het nieuwste uitbreidingsplan van Workum, Thomashof genaamd, gerealiseerd, genoemd naar de eeuwenoude boerderij van die naam die voor dit plan, helaas, het loodje heeft moeten leggen. Wel is in dit gebied een klein restant van een daar aangetroffen terp bewaard gebleven, die niet mocht worden bebouwd. De straatnamen, die in Workum over het algemeen teruggaan op historische namen van de betreffende gebieden, zijn in dit plan verbonden met de meer recente geschiedenis van Workum. De straatnamencommissie heeft ervoor gekozen om in ‘Thomashof” Workumer verzetsstrijders – uit de periode 1940-1945 - middels een straatnaam te gedenken.
 
 
De ligersbolle
 
Sweare, swetse, lige, stâlle, roppe
Fearpikke, stikelstekke, ja, hwat net.
Soms tsjin hillige húskes skoppe:
Yn ’e ligersbolle stiest boppe de wet.
 
De forhalen fan Joast, Teake, Tsjidze, Allert, Klaes,
En dy fan Simen, Andrys, Albert, Jan of Gerke
Wiene de wierheit wolris de baes
Mar yn ’e midden fan it doarp lieten hja de tsjerke.
 
Under ’t âlde tek klinkt krûdich kommintaer
Op polityk, sport, d’ ierappels en it waer.
In tongerslach wurdt dêr ta klapskeet redusearre
En dêrmei tagelyk ús wrâld relativearre.
 
Faek skodzje de manlju ûnder de ligersbolle,
Krinkjespuijend, fol ûnbegryp de holle
Oer it bilied fan it regear fan stêd en lân,
Hja kinne der mar kwalik by mei har forstân.
 
Komt it fuotbaljen op it aljemint
Dan is it dúdlik en as in klûntsje sa klear,
Karel Lotsy dat wie pas in fint
En sa ’n ien as Abe ha wy ek net mear.
 
Fierder wurde jo fan alles gewaer
Oer de ierappels, froulju en it waer
It harspit stiet dêr op in wichtige posysje
Mar lige mei, tominsten, in lyts bytsje
 
Dus Warkumers ûnthâld:
By Séburch efter de sédyk
Leit - dat ’s perfoarst unyk -
Jimme nawle fan de wrâld!
 
 
In de directe nabijheid vinden wij behalve de ‘Ligersbolle’ (leugenbank), de plek waar het wereldnieuws net even anders becommentarieerd wordt dan in de gangbare media, de unieke Joodse begraafplaats. In 1664 kocht David Salomons, die waarschijnlijk op Súd 1 als pandjesbaas/bank van lening actief was dit perceel grond om als begraafplaats voor hem en de zijnen te dienen. Hij ligt er ook begraven. Later maakten ook de leden van de Joodse gemeenschap van Hindeloopen gebruik van deze dodenakker. In 1764 ging het kerkhof over in handen van de Leeuwarder Joodse gemeenschap. Er bevinden zich nog een zestal grafstenen. Het werd, volgens sommigen aangekocht voor 10 caroliguldens, onlangs gerestaureerd. Evenzo werd het aanpalende gebied gerenoveerd en uitgebreid met een zogenaamde ‘blazerhaven’, genoemd naar een type schip dat op ‘de Hoop’ werd gebouwd, maar dat gebruikt werd op de Noordzee en in mindere mate op de Waddenzee.
De ‘skipshelling’ tenslotte – in een stichting ondergebracht - is het oudste nog in bedrijf zijnde industriële monument van Workum. Ooit, in de jaren 1916 – 1920, werd hier op de aan de westzijde speciaal gebouwde helling (thans aannemersbedrijf De Boer en De Groot) door de scheepsbouwer Ulbe Zwolsman de eerste stalen coaster van ons land gebouwd. Omdat er toen door de mobilisatie van het leger tijdens de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918 moeilijk aan voldoende arbeiders was te komen, vindt men op de loonlijsten van de ‘skipshelling’ de namen van een tiental Belgische naar Nederland gevluchte soldaten, die oorspronkelijk waren geïnterneerd in een barakkenkamp in Gaasterland. Een dezer Belgen, Frans van Dessel, werd verliefd op een Workumer meisje, Ida Hoekstra. Hij trouwde met haar en zij volgde hem na de wapenstilstand van ‘den Grooten Oorlog’, zoals men in België zegt, naar de stad Mechelen in zijn vaderland. Door vroegtijdig overlijden van de vader keerde de moeder met haar inmiddels geboren twee zoontjes terug naar Workum, waar beide jongens hun verdere jeugd en ‘jongfeinte-jierren’ doorbrachten. Toch trokken ook deze beide mannen later met hun Friese vrouwen naar België en stichtten daar hun eigen gezin. Het frappante is dat anno 2009 een der pakesizzers van de soldaat Frans van Dessel, die evenals grootvader in Mechelen woont, nog vloeiend en accentloos Fries spreekt.
Thans worden op ‘de Hoop’ houten schepen gerestaureerd en aangepast aan de eisen van de tijd. Evert Zwolsman, de laatste particuliere eigenaar, onder wiens beheer het bergafwaarts ging door de economische tegenspoed van de crisisjaren dertig en de daaropvolgende Tweede Wereldoorlog, was overigens een kleurrijk figuur in de Workumer maatschappij. Hij bezat een prachtige legergroene Harley Davidson en een oude Ford, was muzikaal aangelegd – deed zelfs eens mee aan een talentenjacht in ‘de Wijnberg’ - en kende mooie verhalen over het Workum van weleer. Toen zijn graf op de nieuwe begraafplaats moest worden geruimd, werd besloten om zijn grafsteen naar de werf te brengen, waar dat memoriaal nu tegen de oostelijke gevel is neergelegd.
Hoewel dat een vreemde eend in de bijt lijkt, is de aan deze uitdrukking verbonden symboliek in dit geval voor de echte Workumers ontroerend.
 
 
In koarte baen
is lang
genôch foar
hwa ’t net ride
kin
 
 
IV     In dei yn jannewaris ’63
 
Op 18 jannewaris stapte ik moarnsier yn Ljouwert op it iis. It frear dat it ongele en der wie ek al aerdich wyn.
De redens wiene dy winter al hiel bitiid út it fet. Mei de Kryst koest al oeral hinne en der wiene ûnderwilens forskate kilometers ôflein. Mar nou soe it heve, de alvestêdden.
By it ynskriuwen yn de âlde Frederikkaserne, in dei earder, hienen wy njonken de kaert à in tsientsje, in kartonnen aptekersdoaske mei faseline krigen. En in pear kranten, dy moasten foar ’t boarst en it krús. De faseline wie ornearre om op it gesicht to smarren. Dy kaert haw ik lang biwarre as in soarte fan relikwie mar is ûnderwilens fuort rekke. Allinnich de lange griene legerûnderbroek, mei op it wite merkje Halfwol / Maertens / M.v.D. 63, maat 6 / TW 31.3014.11 / motecht eulan, leit kreas opteard yn ’e kast en dy haw ik by it riden noch wolris - krekt as doe - ûnder de trainingsbroek, al is tsjintwurdich de rek aerdich út it illestyk.
De start wie yn in garaezje yn ’e buert fan de Nijlânsdyk, dêr ’t ik op nûmmer 223B mei Teake, dy ’t ik yn ’e “Frederik” tsjin it liif roun wie, by ús nei Ljouwert forfearne âld-buorfrou Itte sliepen hie.
Teake, dy ’t ik al fan It Heidenskip en ’e Mulo fan Warkum koe, wie op ’e dolle rûs meigien nei dat adres en wie, ik hie net oars forwachte, wolkom. Mar wy moasten togearre yn itselde bêd, buorfrou hie mar ien útfanhúzersbêd.
Yn ’e garaezje waerden wy yn fekken – ôfskoattele mei pakken strie- dirigearre, likernôch sa ’t in boer mei syn riuwe it hea yn ’e wurdze swile. Teake en ik, beide soldaet, stiene mei sa ’n 1000 hoeders fan it lân yn it fek mei kaertnûmmers tusken 5000 en 6000.
Doe ’t wy de redens ûnder hienen en útein setten, hienen wy gjin aen fan de muoilikheden dy ’t ús dy dei yn ’e mjitte komme soenen.
Yn it tsjuster gie it op nei Snits. In smelle baen wie troch de opwiske snie op ’e Swette fage; as in rider hwat al to breedút skekte, heakken de punten fan de redens yn ’e biferzen snierânne en wie it in poepetoer om oerein to bliuwen. Oan Snits ta ien lange stroffeljende, knoffeljende, soms preamkeskowende rige fan riders. Sommige rekken forwoune, seagen yn it tsjuster de betonbrêchjes net, misten in bocht, bidarren ûngelokkich yn ’e reidkraech of op in polderdyk. Hjir waerd de earste skifting al sichtber, sabeare sein: dy koenen de “biezemweinen” yn.
Teake wie ik yn dat Jeroen Bosch-eftige winterlânskip al gau kwytrekke. Doe ’t ik him in hiel skoft letter moete en wy it oer dy dei hienen, bliek dat hy oan Wytmarsum, it berteplak fan Minne Simens, de stifter fan de Minniste Mienskip, takommen wie. Foar Teake, ek Minnist, in moai plak om bilies to jaen tsjin de eleminten.
Nei mear as in ûre bealgjen dûkte Snits op yn it skiere moarnsljocht. It wie swart fan it folk. By it stimpelhokje frege ien my oft wy nou op de helte wêze koene. Ik haw de persoan, tink ik, nochal dom oansjoen, mar myn antwurd hie foar him in dusdanigen bitsjutting, sei er, dat er it stasjon mar better opsykje koe. En dat dienen al folle mear.
Doe oer de Geau nei Drylst, lâns de Wymerts nei Wâldsein en de mar op nei Sleat ta. Oeral ploechjes dy ’t as knoffelhakken op it iis oer sniebanken, kwalstersnie en kistwurken skrepten. Sleat yn en ek wer út, op ’e nij de Sleattemermar op nei Balk. Dêrre ek in knoarre folk op ’e lappen. Oer de Luts rjochting Galamadammen mei de wyn - dy ’t oanboaze - hwat yn ’e rêch nei Starum. Tûzenen stapten hjirre, sommige mei heal biferzen eagen of oare lichemsdielen, mar yn alle gefallen wurch en de ein yn ’e bek op ’e trein nei Ljouwert, dy ’t mar kwalik dit oanbod oan reizgers oan koe.
Fan dy âlde hanzestêd moasten wy wer werom, stôk yn ’e wyn, dy ’t glûpende kâld oanfielde, it Johan Friso Kanael op, om ’t de Dyksfeart lâns Molkwar finael ticht siet. Hege sniedunen makken dêrre it riden ûnmooglik. By Warns hong op dat stuit in helicopter yn ’e loft, dy ’t neffens de tam-tam in provinsjale pommerant ophelle hat. Krekt foar Galamadammen by it Jan Broerskanael links ôf, rjochting Hynljippen. By it stêdhûs in stimpel en op nei de thúshaven, Warkum. Net lâns de Alddyk, dêr ’t de snie ek sa heech hast as de polderdiken opwiske wie en dan oer de Burrefeart de stêd yn. Né, dizkear klune oer de Hylper syl en oer de “haifen” sa ’t de Hylpers sizze, de Iselmar op. It waeide dat it rikke en it stik nei de Warkumer slûs wie fierhinne yn ’e eastewyn op. Dy greate woaste iisflakte, mei giseljende froastwyn en stowsnie like Sibearje wol en hie, efternei bisjoen, wis tsjinje kinnen as decor foar de film dy ’t makke is neffens it boek “Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj” fan Alexander Solzjenitsyn, dat yn 1962 útkommen is.
It keppeltsje dêr ’t ik yn bidarre wie, waerd op it Soal foarby stutsen troch in greatere ploech dêr ’t ek , miende ik to sjen, de romrofte Warkumer iisklubfoarsitter Ynte yn siet. By Séburch klune oer de syl, in stimpel by skipshelling ‘de Hoop’ en fierder, op nei Boalsert. Op ’e hichte fan ’e Skilwyk by ‘de Klameare’ seach ik in buorfanke stean. Mar de measte taskôgers (en ek riders) hiene it doe wol ôfwitte litten, tramtearre fan de eleminten en de kjeld, dy ’t dwers troch alles hinne brûsde. Ik haw noch yn bistân stien om efkes nei hûs, mar ried en knoffele troch, de Dolte lâns, mei hjir en dêr skossen dy ’t fan de molkboaten op it iis treaun wienen. Oer de Trekfeart einliks, it sil wol trije ûre, healwei fjouweren west ha, yn Parregea. Dêr wie gjin baen to finen, alles wie ûnder en ticht wiske. De redens moasten ûnderwei. Sa bidarre ik yn ’e winkel fan, ik leau, bakker Roodenburg om koeke, poeijermolke of oare fourage to keapjen. Wiene der noch in protte riders op ’e baen? De frou wie och sa bigien mei ús lot en kaem mei it boadskip, dat foar de radio sein wie dat de kontrôle fan Frentsjer sletten wie. It ticht gean fan Hârns wie wis gjin kwestje fan ûren mear. Bliksem, hwat moast ik yn Hârns? Dochs mar nei Boalsert, dêr wenne myn broer, dy koe my thúsbringe. De redens wer oan en wrakseljend tsjin de wyn yn bidarre ik by de Panhuysbrêge by Tsjerkwert.
Op dat stuit seach ik in fortroud silhouet opdûken yn de skiere middeisloft: de brún-crêmegiele Súdwesthoekebus, dy ’t nei Warkum gie. Sûnder my fierder om de Tocht to bikroadzjen stapte ik mei de redens noch oan op ’e dyk, stiek de hân omheech. De sjauffeur stoppe, de doar swaeide iepen, ik der yn en mei de redens oan bin ik op it Súd thús foar de doar wer útstapt.



ThuisHandelHistorieUit de FrisoContact en toevoegingenFoto's WorkumVerhalenGeschiedenis