ThuisHandelHistorieUit de FrisoContact en toevoegingenFoto's WorkumVerhalenGeschiedenis
Korte historie van de stad Workum
De Grote of St.Gertrudiskerk
De Waag
Het stadhuis
Doopsgezinde kerk
De Workumer toren
St.Werenfriduskerk
Scheepstimmerwerf De hoop
KRONIEK 1100 JAAR WORKUM
Tijdvak 600 v.C.-1000
Tijdvak 1000-1425
Tijdvak 1426-1523
Tijdvak 1524-1574
Tijdvak 1575-1640
Tijdvak 1641-1704
Tijdvak 1705-1795
Tijdvak 1796-1839
Tijdvak 1840-1893
Tijdvak 1894-1919
Tijdvak 1920-1973
Tijdvak 1974-2000
NATUURHISTORISCHE OMGEVING
Van Flevo tot IJsselmeer
Kerkepad de Tillefonne
De Aldedyk
De Workumermeer
it Heidenskip
Over de dijk naar Hindeloopen
Brekkenpaad
"ONTWIKKELING VAN WORKUM IN 100 JAAR" (1910-2010)
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4
Deel 5
Deel 6
Deel 7
Deel 8
Deel 9
Deel 10
Deel 11
Deel 12
Ontstaan

 


Beeld Uffing op het marktplein

Kaart Flevomeer

Romeinse krijger

Romeinse vaarroute

Romeinse munt


Ontstaan van de stad Workum
 
Aan het eind van het ijstijdperk,  toen de gletsjers die het noordelijk deel van Europa bedekten wegsmolten, bleven in de bodem talrijke sporen achter die de ontzaglijke ijsmassa’s hierin hadden gegrift. Op de ene plaats werd de bodem opgestuwd tot heuvels, terwijl elders gleuven achterbleven. Zo zijn onder andere de duinenrij aan onze Noordzeekust en de hoogten van Koudum en Gaasterland ontstaan. Maar ook het Flevomeer, het Heegermeer, de Fluessen en de Morra. Naast de ijsmassa heeft ook het smeltwater zich doen gelden bij het vormen van beken en rivieren. In het Flevomeer vonden vele rivieren hun eindpunt. Het overtollige water werd aan de noordzijde afgevoerd door de brede stroom, het Vlie.
 
Zo’n 13.000 jaar geleden brak een periode aan dat er regelmatig groepjes mensen in Friesland kwamen wonen. Diverse archeologische vondsten hebben dit bevestigd. Maar later zijn door een voortgaande stijging van het water deze bewoners weer vertrokken naar hoger gelegen zandgronden.
 
Pas 600 v.Chr. komen de eerste bewoners weer in Friesland wonen. De naam Friesland is al 2.000 jaar oud. De Romeinen maakten in 12 v.Chr. voor het eerst melding van de naam Frisii (Friezen) en hun woongebied Frisia. Het is daarmee één van de oudste gebiedsnamen die nog steeds in gebruik is. In die tijd omvatte Friesland een veel groter gebied dan het huidige Friesland. Naar het zuiden tot aan de Oude Rijn bij Katwijk en in het oosten tot aan de Eems. De eerste bewoners in het Friese kustgebied kwamen terecht in een gebied dat op de huidige wadden lijkt met veel geulen, kwelders en oeverwallen. Ze kwamen uit de inlandse zandgebieden waar grote zandverstuivingen heerste. Bij terpafgravingen is aardewerk gevonden dat overeenkomt met de opgravingen in Drenthe. Maar er heeft ook een volksverhuizing plaats gevonden vanaf de westkust ( West-Friesland ) over het Vlie naar de zuidwestkust van het huidige Friesland. Toen door het steeds stijgende water van de Noordzee het bedrijven van akkerbouw en veeteelt niet meer mogelijk was, zochten ook deze bewoners een nieuwe woonplek. Ze staken het Vlie over en vestigden zich in het gebied rondom de Marne, een zeeboezem die tussen Kimswerd en Pinjum Friesland binnendrong. Een ondersteuning van deze theorie is dat bij opgravingen vele in hurkhouding begraven mensen in beide gebieden zijn gevonden. Maar ook zijn er overeenkomsten in gevonden vuurstenen sikkels.
 
De eerste bewoners van ons gebied leefden van de jacht, veeteelt en visvangst. De kwelders en oeverwallen bleven ’s zomers maar ook winters droog waardoor er op beperkte schaal akkerbouw uitgeoefend kon worden. Ze woonden in eenvoudige boerderijen opgetrokken uit houten palen met daartussen twijgen en takken aangesmeerd met klei en leem. Kenmerkend voor deze boerderijen is dat mens en vee samen onder één dak leefden. In het midden van het woongedeelte zat de familie rondom de haardplaats, terwijl het vee in houten boxen in het stalgedeelte stond.
 
Helaas kwam aan deze gunstige omstandigheden omstreeks 300 v.Chr. een einde. De zeespiegel ging toen weer sneller stijgen. ’s Winters bleef het land niet droog meer. De bewoners reageerden daarop met het ophogen van hun woonplaatsen en de vlakbij hun huizen gelegen bouwgronden. Ze gebruikten daarvoor zoden uit de kwelders, mest en huisafval. De kunstmatige hoogten – terpen genoemd – waarop de huizen stonden groeiden als het ware aan elkaar vast. Vele kleine terpjes maakten een grote terp waardoor er een echte nederzetting uitgroeide. Zo zijn in deze streek een aantal plaatsen ontstaan.
 
 
 
In 12 v. Chr. trok veldheer Drusus, een stiefzoon van de Romeinse keizer Augustus, met zijn leger naar het noorden en kwam daarbij in aanraking met het volk van de Friezen. De Romeinen legden de Friezen aanvankelijk een vrij milde belastingsplicht op, die bestond uit het leveren van runderhuiden. Verder kwam men overeen dat de Friezen als gids zouden optreden in de Waddenzee, waar de schepen regelmatig in de zandbanken bleven steken.
 
 
Tot na 28 na Chr. bleef het noorden van Nederland deel uitmaken van het Romeinse Rijk. In dat jaar kwamen de Friezen namelijk in opstand. De Romeinse officier Olennius, militair gouverneur over de Friezen, eiste grotere huiden dan de Friezen konden leveren. Daarom werden zij beroofd van hun ossen en akkers, terwijl hun vrouwen en kinderen voor de slavernij werden weggevoerd. Toen klagen niet hielp, kwamen de Friezen in opstand. De Romeinse troepen werden verslagen. Represailles bleven om verschillende reden uit en in feite eindigde de eigenlijke Romeinse tijd in Friesland. De grens van het Romeinse rijk kwam langs de Rijn te liggen,
 
 
Friesland was door zijn ligging en door de vele vaarroutes die erdoor en erlangs liepen een gebied dat als het ware geschapen leek voor de handel. De Romeinen onderhielden met de “vrije” Friezen goede contacten. Men verhandelde zelf voortgebrachte goederen, maar Friesland ging ook als doorgeefluik fungeren voor verder gelegen streken. Zodoende werden de Friezen opgenomen in de Romeinse economie. Ook waren er Friezen die zich aanmelden bij de Romeinse troepen. Zo ontstonden hier welvarende nederzettingen die helaas wel te maken kregen met binnenvallende Noormannen, die het gehele gebied regelmatig plunderden.
 
De invloed van de Noordzee werd steeds groter. In het noorden werden grote stukken land weggeslagen. Het Flevomeer werd toen een echte zee, Almere genoemd. De bewoners van de nederzetting Workum, toen nog Waldrichem geheten, moesten zich door het oprukkende water vestigen op hoger gelegen oeverwallen langs de Wijmerts, een open verbinding vanuit de Zuiderzee. De bevolking groeide en men begon met het aanleggen van dijkjes langs de kust. Enkele bodemvondsten bij zathe Westereind en Iglebuyren zijn uit die periode.
 
Omstreeks die periode was er in Workum een jongeman die geboeid werd door de monniken uit het klooster St. Odulplus uit Hemelen. Hij trok het klooster in en leerde daar lezen en schrijven. Later vertrok hij naar het klooster in Werden, dat gesticht was door de Friese apostel Ludger. Daar liet hij zich inschrijven onder de naam Uffing van Workum. Door deze monnik weten we dus dat Workum al vanaf de tiende eeuw bestaat. Daarom staat er nu een beeld van hem op het marktplein in Workum
 
 
Thijs de Vries
 
Bron vermelding:
 
H. Halbertsma, Frieslands oudheid, 2000,  M. Schroor, De wereld van het Friese landschap, 1993, J.M. Bos, Archeologie van Friesland, 1995, Els Lems, Op pad met de Romeinen, 1994, T.H. Siemelink, De stad Workum, 1903 H.T. Obreen, Workum inventaris der archieven, 1966, P.J. de Rijke, Frisia Dominium, 2006.
 









































ThuisHandelHistorieUit de FrisoContact en toevoegingenFoto's WorkumVerhalenGeschiedenis