ThuisHandelHistorieUit de FrisoContact en toevoegingenFoto's WorkumVerhalenGeschiedenis
Toer de Dolte
Joodse begraafplaats
Huismerken Gertrudis kerk
Winkelweek 1921 Greate Pier
Het Stadhuis
Stedeke Workum
1000-jarg bestaan
Scholen door de jaren heen
Het Weeshuis
Gereformeerde kerk


Geschiedenis van de Gereformeerde Kerk in Workum.
 
Geschreven met behulp van de notulenboeken van de kerkenraadsvergaderingen
door Albert Althuis en Frits Mundt.
Verschenen in het Kerkblad van de Geref. Kerk in de jaren ±1959-1961.
 
 
 
Het titelblad van het eerste notulenboek uit het jaar 1836:
 
Kerkeraads Handelingen Van de Christelijke Gereformeerde Gemeen­te tot Ferwoude en Koudum. Workum En Hindelopen daarvan Aangekomen. En met vertrek van. ds. S.0. Los-  De Gemeenten van Hindelopen En Koudum Gescheiden Zijnde is dit bij Workum En Ferwoude Gebleven in Het Jaar 1843.
 
De "Voorrede" is als volgt (letterlijk overgenomen volgens de toen geldende spelling. Schrijffouten zijn niet verbeterd, leestekens ontbreken dikwijls):
De Opzieners der alhier opnieuw gevestigde gereformeerde gemeente hebben geoordeeld te moeten aantekenen De toestand waarin dat de gemeente Een zeer langen tijd hadde verkeerd voordat het licht der Revormatie doorbrak.
Diep ellendig was de gestalde der gemeenten. niet alleen omdat menschelijke vonden en wetten in de plaats van des Hoeren Jezus Christus de gemeente waren opgedrongen; maar dat ze getrouw door den Leeraar en veeltijds door de mede opzieners wierden behartigd; waardoor de Harten van Gods volk wierden bedroefd. Was er iemand die het waagde, om voor de zaak des Heeren uit te komen en over het prediken met den Leeraar kwam te spreken en hem toonde de on­regtzinnigheid van Zijn stelling (daar hij hoewel een oud man zijnde bij uitstek ergerlijk in was) wierd voor een dweper en stijf-­hoofdige en wat dies meer zij gescholden.
Verregaande was het pligtverzuim van den Leeraar niet alleen van het prediken hetwelk hij kon goed vinden zonder daarover met de opzieners te raadplegen natelaten die hun daarover ook niet bekommerden maar ook zonder het te overdrijven hij ten minste in geen 7 of 8 jaren huisbezoek gedaan. Zelfs heeft toen een ouderling Zijnde verklaard dat de Leeraar in geen 19 jaren te Zijnen huize heeft geweest daar hij in die tijd 4 kinderen had verloren en zelf meermalen gevaarlijk ziek was geweest, waaruit ligt is af  te leiden hoe het met het gebruiken der bondzegels is toe gegaan. Zelfs zoo verregaande dat een manspersoon een kind of meer ten doop heeft gehouden, Zonder Zelve gedoopt te zijn.
Was er iemand die op de vier vragen voor het avondmaal niet ant­woorde wierd niet toegelaten zoodat al schielijk om deze en mis­bruik van Ergerlijke leden aan de tavel des Heeren de regzinnigen daar wegbleden die dat ook in de plaats alhier in de kerk te komen elders voedzel zogten en de meesten onttrokken hunne kinderen ook van den doop welk getal in korte jaren aanmerkelijk is geworden. Niet minder ellendig was hier ook het bijzonder onderwijs voor de jeugd en die tot lidmaat wierden aangenomen het hoe van zaak is niet uít te drukken niet alleen omdat het vergezeld ging met allerleije ijdelheden ja zelfs tot vloeken over ging hetwelk ongestraft door den Leeraar wierd aangehoord ja zelve de voorganger was,/maar voornamelijk dat nodig is tot Zaligheid te weten te geloven en te betragten wierd de jeugd niet voorgehouden. Die leer die na de Godzaligheid is die God op het hoogst verhoogt en de mensch op het diepst vernedert dat hij als een Godlooze moet worden geregtvaardigd zonder de werken enkel en alleen om de geregtighèid die in christus jezus is. dat alle de gene die zalig worden en geworden zijn of nog zullen worden. Dat die van Eeuvigheid daartoe zijn uitverkoren in het vrijmatig be­sluit Gods het welk de grond is van alle weldaden die God aan zijn gemeente schenkt zoodat hun gelof en bekeering en volharding vrugten van dien grond zijn Dat het eeuvige liefde des Vaders was die hen uitverkoor de genade des Zoons die hen ver­lost. en de werking van den Heiligen Geest die hun die weldaad toepast. Die leer welke ve(r)vat is in onze vormelieren van Eenigheid in 1618 en 1619 vastgesteld, en op het woord Gods gegrond waarvoor onze voorvaderen hun bloed hebben gewaagt en gestort Die leer werd hier weinig gekend en nog weiniger ge­praktizeerd zoodat een grote onverschilligheid en zorgeloos­heid heerste onder de geene die anders niet vereenigt waren met de leer die alhier geleerd wierd vandaar dat er zoo weinig tot herstel van de breuke Sions wierd aangewend. Het welk dui­delijk begon te blijken toen de kerke Gods zich begon te open­baren En nog duidelijker toen hier ook eenigen waren die zich bij de kerk voegden zoodat er niet een manslidmaat was die zich er bij voegde.
Doch er waren nog anderen die geene belijdenis hadden kunnen en treurden om de breuke Sions die dan ook verlangden zich bij de gemeente des Heeren te voegen op wiens verlangen Dom S Van Velzen dan ook kwam op den 1 Februarij in het jaar achtien honden zesendertig zijnde maandag Zijne Eerwaarde Predikte bij die gelegenheid over de woorden Zoo de Heere God is volgt hem na Ende zoo het Baäl volget hem na 1 Kon: 18 vs 21 tot in­leiding de woorden Wat is u gij hardslapende  Uit de Propheet Jona Cap.1 vers 6, waarna de gemeente wierd bevetig dit ge­schied zijnde wierden na aanroeping van de naam des Heeren op­zieners door de gemeente gekozen en ook wierd het cacrament des doops dien zelfden dag nog bediend en in dankzegging en psalmgezang dien dag geindig
 
Nu volgt een gedeelte uit de notulen dat geschreven is tussen 2 junij 1841 en 19 julij 1841. Er boven staat: Ter Gedagtenis van’S Heeren Godertierenheijd over de Gemeente.
 
Nadat het de Heere uit vreije Goedheijd behaagt heeft, om uit de Duisternis het Licht Weder te Doen opgaan, en om Eenige weijnige welke het om Waarheijd te doen was, te bewerken om zich te Zamen tot eene Gemeente te Vereenigen en onder hun het Eenvoudige Woord van God als de Eenige Regel en Rigtsnoer Van Geloof en Wandel te houden met verwerping van alles wat hiertegen zoude strijden en zich dus Aftescheijden van dat Genootschap wiens wetten en Regels in Strijd stonden met het onfeilbaar Woord van God, om het een en ander te bevorderen heeft men dan Dom. S. van Velzen ontboden Welke ook gekomen zijnde, na de Prediking des Woords de Gemeente bevestigd­ heeft.
En twee persoone, als een tot ouderling, en een tot Diaken Wierde Verkozen en in hunne Dienste bevestigt maar ofschoon nu Deze Gemeente in deze hunne begeerte verkregen had soo moesten se Egter nog grootelijks De Verkondiging van Gods Woord en de Bedie­ning van de Bondzegelen missen, en moesten zich op den Sabbath ge­woonlijk bedienen van de nagelaten Schriften van die Leeraars wel­ke in vroeger Tijden des Heeren Gemeente door Woord en Schrift gestigt hadde, en hoewel de Gemeente op dese Eenvoudige wijs zich vooral op den Sabbath mogten besig houden en  hieronder ook nog meerrnaale des Heeren Zegen er over mogten ondervinden, soo bleef er Egter een Verlangend uitzien om het Woord Gods uit de Mond van een Dienaar des Heeren te mogen hooren, Dese Begeerte bleef egter meest onvoldaan terwijl er Sedert den lsten febr.1836 wanneer de Gemeente gestigt wierd tot aan den 26ste April 1841 slegts 10 of 12 Maal door Leeraars onder dese Gemeente het Evangeliewoord is verkondigd geworden en in die tijd slegts 3 maal het Nagtmaal is bedient geworden maar hoe donker het in deze met de Gemeente mogt uitzien, nogtans heeft de Heere Dese niet willen verlaten, maar tot nu toe doen staande blijven onder alle tegenstand, en onder­tusse van Tijd tot tijd Leden tot de Gemeente toegevoegt, en bijna twee derde vermeerdert, Evenwel Scheen het wel (uit aanmerking van de klijnheid der Gemeente en aan de andere kant wegens het klijn getal van Leeraars welke zich met ons vereenigde), dat dese Gemeente niet ligt in het bezit van een Leeraar zoude gestelt worden. Maar den Heere in Wiens hand alle onze paden zijn, heeft het alzoo Believe te Besturen dat dese Gemeente, heowel geheel onwaardig zig tans op dit oogenblik in het besit gesteld ziet van een Wettig Herder en Leeraar die ons van ‘S Heerenwegen Zijn Woord verkon­digt, wat te vooren de Gemeente wegens verre uitgebreijdtheijd op den 23 September 1838 in twee Gemeentens gesplist geworden soodat er sedert dien tijd een Gemeente te Ferwoude en Een te Koudum be­staan heeft hoewel de Opzienderen der beijde Gemeentes met elkander
werkzaam bleven en derhalve een kerkeraad bleven uitmaken.
Tans is er als opnieuw een vereenigingsband gelegt geworden, door de Gesamentlijke Roeping van een Predikant welke dese beijde Gemeente zouden Bedienen, het was op den 15e Februarij 1840 dat alle de Mansleden der beijde Gemeente uitgenodig wier­den om met elkander over deze zaak te spreeken op 3 persoone na verschene alle en het was dientengevolge, dat wij met Elkander Besloten om (terwijl er nog maar zeer weijnig Leeraars bij de: Afgescheijdene bestonden, en Dezelve voor ons nog zeer moei­lijk zoude te bekomen zijn) een Lidmaat dezer Gemeente, met name Sietze Oenes Los tot onze Herder en Leeraar te Beroepen, terwijl wij, in ZijnEw die vereijstens meende te bespeuren welke in Gods Woord tot de Bediening van dit Ampt worden opgegeven, ZijnEw dan hierna beroepen zijnde en hiervan aan ZijnEw per brief, kennis gegeven zijnde vond zich gedrongen om, de Roeping der Gemeente optevolgen Zijn Tijdelijk Bestaan te laten varen en zich over te geven tot het Onderwijs ter verkrijging van die Kundigheden welke nodig zouden zijn, om als wettig Herder en Leeraar ten Dienste der Gemeente te kunnen worden, overgegeven, Nu heeft de Heere in deze onze pogingen gelieve te zegenen Soo dat onze Broeder in den Heere S.0.Los op den 16 junij 1841 zich in staat bevond om het vereijste Examen te kunnen afleggen Waar­na ZijnEw de Kerkelijke Toelating ontfing tot de Bediening van het Herder en Leeraar Ampt, en is alzoo op den 11de Julij dezes Jaars, door ZijnEd Leermeester den WelEerwaarde Dom F. de Haan Plegtig in Den Dienst Bevestigt geworden tot Tekst nemende Hebr,13 v 17 waarna onze Herder en leeraar S.0.Los des Namiddags zijn Dienstwerk onder ons begon tot Tekst nemende Klaag­liedere Jerr 3 v 24 - Mogt de Heere zijn Eerw, Lange Spaare ten Dienste. der Gemeente De Heere storte Zijnen Heiligen Geestes Rijkelijk uit over ZijnEw  en de Gemeente.                                                                  het zij zoo
 
 
DENKEN EN DANKEN
 
Onder deze titel zullen we het komende jaar in dit kerkblad de geschiedenis van onze kerk beschrijven. We denken na over de geschiedenis en hieruit zal blijken dat we reden hebben om te danken. Elke aflevering zal zijn eigen ondertitel dragen.
 
Onrust
 
Bij het openslaan van het oudste notulenboek ontdekten we, direkt al op de eerste bladzijde, iets wat in onze tegenwoordige gemeen­te niet meer hoort voor te komen: De broeders van de kerkeraad van de gemeente van 1836 begonnen hun ambtelijke taak met een tuchtgeval. Op één van hun eerste vergaderingen zei de broeder, "die zich had misgaan", "met een opgeblazen gemoed, geen opzie­ners der gemeente te erkennen". Bovendien toen ds. S. van Velzen kwam wenste hij ook niet voor de kerkeraad te verschijnen. De predikant "vermaande de broeders, om de gemelde .... (nr.1) te bezoeken, hem zijn boos gedrag onder het oog te brengen, en hem aan te zeggen dat hij niet als lidmaat der gemeente erkend word".
Het onderwerp van de volgende vergadering was weer iets dergelijks. Het betrof hier namelijk een geval van "Sabatschennus". Hier zei dominee Van Velzen van: "Dat bijaldien hij deze zonde niet naliet moet hij ordelijk onder Zensuur gesteld worden (nr.2)".
In dezelfde notulen lazen wij. "Is ook gesproken over de bedie­ning des doops aan de jonge kinderen der gemeente waaromtrent de gevoelen zeer verschillende waren; de predikant gaf nog Zijne meening te kennen, dat namelijk de kinderen en allen die tot de­gemeente kwamen mogten gedoopt worden. Doch dat de opzieners der gemeente aan niemand die volgens zijne taal of gedrag bewijzen van ongeloof en onbekeerdheid gaf mogt toelaten een kind ten doop aan te bieden. Waar ingeval van gegronde twijveling wegens de op­regtheid der ouders de kinderen door leden of ouderlingen zouden moeten ten doop worden aangeboden verder gaf de leraar aan de broeder te overwegen dat de doop in plaats van de besnijdenis is gekomen en dezelfden die onder het O.T. besneden zijn onder het N.T. moeten gedoopt worden. Over dit alles betuigden de broeders hunne begeerte het te overwegen".
Als bijzonderheid moet nog worden vermeld, dat onze kerkeraad be­stond uit de ouderling I.M.de Boer en de diaken Hespel O.Yntema, die elke vergadering trouw begonnen met psalmgezang en hiermee ook weer eindigden.
Het woordje "trouw" is ook van toepassing op het vergaderen van de broeders. Om de veertien dagen kwanen ze steevast bijelkaar, zelfs op 8 januari 1838, waarvan we de notulen in zijn geheel opnemen:
 
Kerkeraads Handelingen. In Hare vergadering van de 8 januarij 1838­
Art. 1
Tegenwoordig waren de Ouderling en Diaken.
Art. 2
De vergadering is geopend met het gebed door de ouderling terwijl gezongen werd uit Psalm 125 vers 1 en 2.
Art. 3
De notulen der vorige vergadering zijn gelezen en goedgekeurd.
Art. 4
Niets te verhandelen zijn is de vergadering gesloten in Dankzegging en Psalmgezang.
 
En de behandeling van tuchtgevallen ging normaal door, afwis­selend met en zonder sukses.      Bijvoorbeeld met sukses bij geval 1 en 2. “Broeder ...(nr.1) begint weer in de bijeenkomst te komen" en ook "de vermaning" bij broeder ...(nr.2) werd door de Heere gezegent”. Broeder …(nr.3) "die over zijn koelheid en hooggaande onverschillig­heid in de dienst des Heeren, die daarenboven door Zijne Gierigheid ook niet bijdraagt tot instandhouding onzer Gods­dienst, betuigde leed te dragen over Zijn gedrag en bood nog ook Zijn huis aan ten dienste der gemeente wanneer de Predi­kant zoude komen te prediken".
Dit is het huis dat tegenwoordig bewoond wordt door J.R.Rie­mersma, Noard 61. Of het "betuigde leed", van hem oprecht ge­meend was valt nog te betwijfelen, want in de notulen van 13 febr. 1838 staat van hem vermeld: "dat hij met zulk een han­del en wandel bij voortduring niet als lid der gemeente kon erkend worden waarover hij zo wij menen hem ook niet bekommer­de dewijl hij volgens Zijn zeggen niet zien kon dat de gemeente
de ware Kerk wel was".
Totaal geen sukses zien we aanvankelijk bij broeder ...(nr.4) "die een ongelovige vrouw getrouwd heeft en ook in die weg de Heere niet erkend welke nu Zaad bij die vrouw heeft en van tijd tot tijd is vermaand. De opzieners der gemeente oordelen hem nog ernstig te moeten vermanen tot bekeering opdat hij wanneer de Predikant in de gemeente komt ook dat zaad in de gemeente des heeren mogt brengen en het bondzegel Des Doop er aan bediend worden”.
Tot nu toe dus vier tuchtgevallen, het is begrijpelijk dat dit erg zwaar was voor de beide broeders van de kerkeraad, niet alleen t.o.v. de tuchtgevallen maar ook tegenover het
“opzicht der gemeente" (de leden van Koudum kwamen steeds minder in getal de godsdienstoefeningen bijwonen).
In één van de kerkeraadsverslagen staat dan ook te lezen: "de Ouderling en de Diaken bragten hunne bezwaren in over het hou­den van Kerkeraad met hun beiden". Maar ze wisten blijkbaar niet goed hoe ze deze zaak moesten aanpakken want ze besloten hun moeilijkheden op "de Clasjicale vergadering" te bespreken. Op 28 mei 1838 werd hier besloten "dat aan het verlangen der broeders moest worden voldaan opdat ook alle leden der gemeen­te Koudum De Openbare Godsdienstoeveningen mogten bijwonen". "Aan Dom.S.van Velzen zou worden geschreven teneinde de ge­meente een Ouderling en Diaken mogt kiezen".
Op 10 July kwam de Leeraar en werd tuschen Leeraar Ouderling en Diaken besloten om nog dien zelfden avond tot beroepen tot Ouderling en Diaken overtegaan". Zo vlot ging dit echter niet: de ouderling en diaken stemden wel, maar "de Gemeente weiger­de te stemmen en beriep zich deels op hunne onwetendheid in deze zaak, naamlijk het was hun niet publiek bekend door de Kerkeraad, anderen verontschuldigden hun met te zeggen dat zij geen bekwame perzoonen wisten die de voorgestelde vereisten bezaten voornaamlijk tot het ampt van Ouderling waarop de Ge­meente na huis keerde". De predikant vroeg nu aan de klassis of de stemming wettig was.
Voor de klassis was dit ook een te moeilijk probleem om het zomaar te kunnen oplossen: een paar afgevaardigden kwamen eerst eens in de gemeente praten. Dit had tot resultaat dat er weer gestemd werd, al was er toch nog een gemeentelid die weigerde te stemmen. "De stemmen werden uitgebragt en bij ope­ning der briefjes hadden Age Schaaff en Cornelis Damstra elk 3 stemmen als Ouderling terwijl Jan Doedes Molenaar met 5 stemmen Diaken werd over de twee eerste werd het lot geworpen. Het viel het op Age Schaaff waarmede dien Vergadering werd ge­eindigd Dankzegging Door P. Mobach (afgevaardigde van de klas­sis) en Psalm 103 vers 1-9"'.
De ouderling was er echter nog niet: drie gemeenteleden van Koudurn "hadden bezwaren en Zeiden dat hij (n.l. Schaaff) genegen was tot toornigheid waarom zij de beroepen ouderling niet erkennen konden volgens Sentbrief Paulus Titus 1 vers 7" (Want een opziener moet onberispelijk zijn als een beheerder van het huis Gods, niet aanmatigend, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, niet op oneerlijke winst uit)
Een ander bezwaar was "dat Zij betwijvelden of niet verzekerd waren of de man wel bekeerd was verder hem het getuigenis geven­de van wel bekwaam te zijn en magtig in de schriften'. Deze bezwaren werden verworpen "als strijdig met Gods woord". De bevestiging volgde op 30 sept. 1838.
Niet altijd waren de bezwaren tegen een ouderling echter ongegrond: Op een vergadering kwam de toestand van de verschillende gemeenten ter sprake. Hierbij bleek, dat in Koudum alles prima verliep, dit in tegenstelling met Ferwoude, waarover de kerkeraad aldus sprak: "Over de Noodzakelijkheid der Huis Bezoeking in de Gemeente Ferwoude is van alle toegestemd om zulks hoe spoediger hoe Beter te laten ge­schieden uit hoofde dat Er onderscheidene Leden, in die Gemeente niet volkomen wandelen naar Gods woord".
Dit was dus een nalatigheid van een ouderling, waarop hem al ver­schillende keren gewezen was. De ouderling kwam echter met het argument,"dat de Gemeente nog vermaanen van hem kon verdragen nog heil". Hier kwam nog bij, dat de ouderling verschillende keren "de openbare.godsdienstoevening" niet bezocht., terwijl hij ook niet elke keer op de kerkeraadsvergadering kwam. De kerkeraad besluit het oordeel van de klassis te vragen, die P.Mobach uit Bolsward stuurt. Bij zijn komst blijkt, dat degene die bezwaar tegen de ouderling had ze nu niet uitte, terwijl ze dat wel weer deed, toen Mobach weg was. Dit. wordt zo langzamerhand een hele kwestie, die tenslotte zo hoog loopt, dat we van de ouderling lezen: "Is door Ouderling …..bezwaar ingebragt wegens Hem Zelve en wegens de Gemeente, omtrent Hemselve dat Hij ontrouw heeft gehandelt en om­trent de Gemeente dat Zijn Persoon en de bediening als Ouderling niet eerbiedigde en derhalve konde hij deze Gemeente niet voor de Gemeente des Heeren erkennen en kon dus niet langer als Ouderling onder Deselve werkzaam zijn en ook zelfs geen lid meer van Deze Gemeente Zijn".
Er wordt deze ouderling geadviseerd er nog een week over te den­ken. Dit doet hij en trekt zijn bezwaren 'uiteindelijk weer in. Met hem zal nog wel rekening gehouden worden, want er wordt besloten ook kerkeraadsvergaderingen in Ferwoude te houden, opdat hij ook kan komen,
Er leefden echter revolutionaire ideeën in Ferwoude, de leden van die gemeente oordeelden namelijk "dat van Wegens de Drukte in het Zomer Seizoen het onderwijs enige tijd moest agtergelaten worden" De kerkeraad is het hiermee wel eens "doch het onderwijs in de Gemeente te Koudum kon blijven voortduren".
Op de kerkeraadsvergadering van 30 dec. 1840 vraagt ds. D.P. Posthuma van Mindertsga echter, hoe het met het onderwijs gesteld is "daar er in desen veel gebrek heerste, zoo heeft Dom. ons Ver­maant om hier op t' letten".
Aangaande de catechisatie antwoordde men "Dat hierin wierd voldaan, voor wat betreft de Kindern en Jongelinge Dog voor Getrouwde Lede­maten daar wierd tans niet voldaan waarom Dom. ons ook opwekte om hierin tot verbetering te beproeven".
Ondertussen was men overgegaan tot het aankopen van een huis voor het houden van '"godsdienstoeveningen". Dit huis werd gekocht en betaald door Joh. Radersma ( Noard 47). Over de ingebruikneming op 30 dec. 1839 lezen we dat "Alles in goede orde is afgelopen, er waare een groot aantal toehoorders tegenwoordig waaronder vele nieuwsgierigen ook eenige kwaadwil­ligen dog door de zorg der Politie belet om iets uittekomerigte".
De volgende dag moest de koper en eigenaar voor B en W verschij­nen: men mocht hiermee niet verdergaan voordat men de toestemming van de koning had. Om deze toestemming te krijgen moest de poli­tie o. a. twee keer het aantal aanwezigen tellen. Langs vele in­stanties en na meer dan een jaar wachten, evenals tegenwoordig, kreeg men eindelijk de toestemming. Gedurende de wachttijd ver­gaderde de Gemeente echter gewoon, door­.
 
Tenslotte nog enkele aardige voorvallen:
26 juni 1839: "Daar de handelingen van de Voorgaande Kerkeraad niet tegenwoordig waren konde deselve niet gelezen worden".
28 dec. 1840: 'Is nog door Dom. Posthuma aan de Gemeente ge­vraagt of Zijn Ed kon getuigenis krijgen van Dese Vergadering regtmatig te hebben bestierd, is door alle de leden toestemmend beantwoord met ja".
20 jan. 1841. "Is gesproken een bezwaar van I.H. de Boer hetwelk sproot uit het openen en sluiten van het Hek bij Zijn Huis aan den Dijk, daar dat zoowel op den Sabbathdag als op andere dagen moest geschieden is geoordeeld dat ofschoon hetselve niet sonder bezwaar konde geschieden het egter niet konde nagelaten worden uit hoofde van de noodsakelijkheid voor het Weydend Vee en op­gelegde Verpligting”.
 
 
 
Even uitblazen
 
De toestand hier was, wat het aantal predikanten betreft, al niet veel beter dan in de rest van Nederland: we lezen dat er "weynig leeraars bij de Afgescheidene waren". Hieruit, valt te verstaan het feit dat er op.een.classisvergadering gesproken werd over.het beroepen van een predikant voor de classis. Dit gebeurde op de vergadering van 28 oktober 1839. Over dit onderwerp horen we ver­der niets meer, wat evenwel niet betekent, dat men er in de clas­sis nu geen belangstelling meer voor had. Het tegendeel was waar, want men begon er nu op de kerkeraden over te spreken. Zo kwam er op de vergadering van onze kerkeraad van 3 februari 1840 een voor­stel om een predikant te gaan beroepen, nu echter alleen voor on­ze gemeente.
Men besloot in verband hiermee een gemeentevergadering op 15 fe­bruari bijeen te roepen: Van emancipatie van de vrouw was hierbij nog geen sprake: alleen de mansleden werden maar uitgenodigd, waarvan drie zich echter nog niet man genoeg voelden, want ze schitterden door afwezigheid!
Het resultaat van deze vergadering was, dat een lidmaat van onze gemeente, namelijk Sietse Oenes Los, zou beroepen worden als pre­dikant. Maar om te preken moet je ook preken kunnen maken, waar­voor een uitgebreide studie noodzakelijk is. De gemeente zou hem dan ook eerst moeten laten studeren. Echter voordat er op l9 maart een schriftelijk beroep op hem werd uitgebracht, werd er eerst nog gesproken met de afwezige "mans"-leden. Deze vonden de beslis­sing van de gemeentevergadering blijkbaar goed, want het beroep werd uitgebracht en op 28 april ontving de kerkeraad een nota van de classis, waarin stond, dat S.O. Los "tot den studie afgesonden sou worden, terwijl voor het Onderhout van Sijn Persoon en Huisge­zin door de Leden en Gemeente der Classis zoude gesorgt worden". De heer Noordhoff stelde zich beschikbaar om in Wórkum en Ferwoude "rontegaan met den Bus", terwijl in Koudum het geld na de kerk­dienst zou worden verzameld.
De studie duurde blijkbaar niet erg lang, want na in februari 1841 drie keer onze gemeente te zijn voorgegaan "bij wijse van oeffening ‘t welk tot algemeen genoege der Gemeente is afgelopen", kon hij op 16 juni het vereiste eksamen afleggen en werd op 11 juli door ds. F. de Haan "Plegtig in Den Dienst Bevestigt" en deed dezelfde dag zijn intrede.
Hij komt in Workum te wonen zonder huur voor zijn huis te hoeven te betalen. Zijn traktement, dat maandelijks zou worden uitbetaald, werd gesteld op f 470.-- per jaar, waarvan 2/3 deel werd betaald door Ferwoude (`waarbij dus ook Workum is inbegrepen) en 1/3, deel door Koudum.
 
Het is in aansluiting hierop helemaal niet zo verwonderlijk, dat de gemeente van Bolsward ons vroeg, nu wij een eigen predikant hadden, of ze niet in kombinatie kon treden met Ferwoude en Koudum. Het antwoord van onze kerke­raad was dat ds. Los wel liefdebeurten in Bolsward zou kun­nen verzorgen, maar een kombinatie "was geensins toegestaan". Deze beslissing kostte zeker nogal wat tijd want de notulen van die vergadering eindigden als volgt: “Daar de Tijd verlopen was is er verder over niets gehandelt geworde.”
Het salaris van de predikant vormde blijkbaar nogal een moeilijke kwestie, want op een volgende vergadering kwam een voorstel om dit van ƒ9.-- op ƒ12.-- per week te brengen. "Dom Los Verklaart dit volstrekt benodigt te Sijn om niet tot Spot van de Waereld te worden en het Evangelie niet Sug­tende te moeten Bedienen".
“Maar wie zal dat betalen.", was nu de volgende vraag. Het antwoord hierop eiste offers: men besloot namelijk "om dit bij wijle van intekening bij de Leden der Gemeente en andere te beproeven".
 
De eerste stappen op "het gladde ijs" van het predikant-zijn van ds. Los bleken moeilijk te zijn. In de eerste kerkeraads­vergadering die hij leidde kwam hij met het voorstel, om de ene week in Workum te preken en in Koudum "openbaar te Katti­giseeren” en de volgende week omgekeerd. Over dit voorstel werd een hele avond beraadslaagd en werd daarna zonder hoofdelijke stemming ver­worpen. In Ferwoude zou gecatechiseerd worden door een ouder­ling of diaken (de predikant had blijkbaar nog  geen geschikt vervoermiddel om z'n hele gemeente af te reizen) ­Om ook wat in de moeilijkheden van de kerkeraadsleden wat be­treft het vervoersprobleem tegemoet te komen, werd besloten de kerkeraadsvergaderingen voortaan in het centrum van de gemeente, n.l. Workum, te houden.
Ondanks dit laatste besluit was het voor de predikant echter soms nog wel moeilijk om op tijd te komen, waardoor de kerke­raadsleden direkt al met de handen in het haar zaten. Toen ds. Los dan ook eens te laat kwam, wilde men de vergadering maar uitstellen: "wat moest men nu zonder predikant". Daarom sloot men de eigenlijk nog niet eens begonnen vergadering met psalm­,gezang en dankgebed. Prompt kwam toen ds. Los binnen, waarna de vergadering weer geopend werd. En het werd zelfs nog een belangrijke vergadering,. want er werd over gesproken "om twee persoone uit de Gem. te stelle om opsigt en bestier te hebben over het Kerkgebouw”. Het kostersambt werd dus inge­steld. Hiervoor werden benoemd Rienk E. Feenstra en Abraham G Hoeksma.
Nog een ander ambt werd er ingesteld,  namelijk dat van scriba. Dat werd vooral gedaan omdat een ouderling vaak aanmerkingen op de notulen maakte, die in de regel veel te kort en onvolledig waren. Benoemd werd de diaken Van Dijk.
 
Zo langzamerhand sloten zich steeds meer mensen bij de gemeente aan. Soms waren dit men­sen die al geregeld in onze kerk kwamen, zoals b.v. Fekke Gerbens Deynum, soms mensen afkomstig uit de Herv.Kerk, zoals Harmen Abra­hams de Haas, Botte de Booi enz., welke beide kategorieën direkt nadat ze door de kerkeraad onderzocht waren, toegelaten werden. Er was echter ook een groep, die eerst nog maar eens moest tonen, dat ze "de ware Leer aanhingen". Ondanks dit laatste werd het aan­tal leden van onze gemeente in het laatst van 1841 toch nog met een tiental nieuwe leden uitgebreid.
In deze  zelfde tijd ging men er ook toe over het avondmaal om de twee maanden te houden. Natuurlijk kon onze predikant in onze uitgestrekte gemeente niet op alle plaatsen tegelijk zijn. Toch zou er in het vervolg elke zondag gewoon dienst worden gehouden, ook al was de predikant el­ders, vooral in verband met de kinderen en de mensen die slecht ter been waren. Of er bij afwezigheid van de predikant een preek werd gelezen, is ons onbekend. U zult u misschien afvragen, waar­om er dan niet een predikant van buitenaf kwam. Dit had twee oor­zaken: in de eerste plaats waren er niet genoeg dominees terwijl er tegen degenen die er wel waren ook nog wel eens bezwaren werden gemaakt. Trouwens, over het algemeen was men hier nogal streng, want toeneen vrouw haar kind wilde laten dopen, oordeelde de ker­keraad, dat zij "zwak inden Gelove stond", waarom de doopsbedie­ning nu nog werd geweigerd.
 
Ook bij het ouder worden hadden de kinderen nog de volle belang­stelling van de kerkeraad. Dit kwam vooral tot uiting bij het vraagstuk naar welke school de kinderen moesten worden gestuurd: of naar de "Gewonne" of naar de "diakonieschool". Hierover vroeg de kerkeraad het oordeel van de classis. Het ging hierbij dus om de vraag of er hier in de buurt ook een mogelijkheid was een dia­konieschool op te richten, daar de kinderen anders naar de openbare school zouden moeten. De schoolstrijd ging dus ook in Workurn niet geruisloos voorbij!
In de vergadering van 8 november 1841 werd gesproken over het ver­zoek van de leden van de gemeente in Hindelopen, of zij niet een zelfstandige gemeente konden vormen. Ds. Los stelde daarom voor een vergadering in Hindelopen te beleggen, waar dan gestemd zou worden voor een kerkeraad. We horen hier verder niets van: In aansluiting hierop stelt de kerkeraad nu op een volgende vergadering voor om met Koudum precies hetzelfde te doen, daar er in de kerkeraad eigenlijk ook al twee aparte broeders voor Koudum za­ten, zodat een splitsing dus voor de hand lag.
 
Al het voorgaande gebeurde nog in een periode van betrekkelijke rust, waarin echter plotseling verandering kwam: rond de jaarwisseling 1841-1842 kreeg onze predikant, die nog niet eens een jaar in ons midden was, een beroep en wel naar Rotterdam. Het is evenwel vreemd, want we lazen in de notulen op een gegeven moment ook over een beroep naar Gorinchem alleen hier horen we nooit weer wat van, waaruit we waarschijnlijk op kunnen maken, dat deze plaatsen destijds één gemeente vormden. Over het beroep naar Rotterdam horen we des te meer: de kerkeraad kon het schijnbaar maar moeilijk zetten, dat ze hun predikant dreigden kwijt te raken, want eerst maakten ze al kritiek op de beroepsbrief en toen ds. Los eenmaal het beroep had aangeno­men, wilde men hem niet, laten, gaan. Op verschillende vergade­ringen kwam dit vraagstuk weer aan de orde en tenslotte be­sloot men ds.Los te laten gaan onder de voorwaarde, dat Rot­terdam zijn studiekosten weer aan ons zou laten terugbetalen. Deze voorwaarde werd aangenomen en men kwam dus zonder predi­kant te zitten.
 
Terwijl men nu op. stap ging om een nieuwe predikant te zoeken, kreeg de kerkeraad ook nog met andere moeilijkheden te kampen: 13 x vergaderde men over een broeder, die al eerder vermaand was en die zich nu schuldig maakte aan sabbatsschennis. Ver­schillende keren kwam deze broeder voor de kerkeraad en ver­liet hij de vergadering afwisselend "verbitterd", "driftig”, "opgewonden", "halsstarrig", "in heftigen toorn" enz. Ook de censuur hielp niets. Hij bleef hardnekkig.
Trouwens aan sabbatsschennis maakte men zich wel meer schul­dig. Zo was er bijvoorbeeld ook een broeder die zijn muzikale lusten zelfs op zondag op een trommel meende te moeten botvie­ren, dit tot ergernis van gans de gemeente, die telkens als hij weer had "getrompt" hier de kerkeraad opmerkzaam op maak­te. Het wordt nog erger als u weet, dat hij dit deed ten dien­ste van de kermis. Verschillende keren is hij hierover vermaand, maar ook hij volhardde.
 
Het was dus wel nodig, dat we weer een predikant kregen. Tot dit doel besloot men eerst verschillende predikanten uit te nodigen hier te komen preken. Daarna zou er een speciale biddag worden gehouden, om dan te kunnen overgaan tot het stem­men,van een predikant. Dit laatste, zou gebeuren door heel de gemeente, die dan moest kiezen uit een door de kerkeraad gesteld drietal. Dit gebeurde en praktisch alle stemmen vielen op ds.J.R.Kreulen, waarna direkt een beroep op hem zou worden uitge­bracht, maar hiertegen maakte de classis bezwaar, omdat hij z'n eksamen nog niet had afgelegd. Gelukkig bleek de classis na diepgaande gesprekken met onze kerkeraad bereid het beroep, goed te keuren. Direkt werd toen de beroepsbrief naar ds.Kreulen gestuurd. Deze nam het beroep aan en deed op 19 mei 1843 zijn intrede.
 
 
Anders dan anders
 
Nu we weer een nieuwe predikant in ons midden hadden, mochten we verwachten, dat alles weer rustig en regelmatig in onze gemeente zou gaan verlopen. Bij het beginnen en sluiten der kerkeraadsver­gaderingen was inderdaad een zekere regelmaat te bespeuren: er werd in bijna elke vergadering een vers uit psalm 119 door de broeders gezongen. Waarom deden ze dit? Was het alleen omdat deze melodie zo gemakkelijk zingbaar was of was ds. Kreulen te vermoeid om andere psalmen op te zoeken? Dat hij vermoeid was blijkt uit het volgende: er werden aanmerkingen op hem gemaakt, omdat hij te weinig de leden bezocht. Dit weet dominee hieraan dat hij veel moest studeren om elke zondat drie keer te kunnen preken. Daardoor was hij te moe en had te weinig tijd om ook nog geregeld huisbe­zoeken af te leggen.
Nog een aanmerking was, dat hij op zondag geld leende. In een noot onderaan de notulen wordt deze zaak uit de doekjes gedaan: "Aangaande de beschuldiging hebben geloofwaardige getuigen mij ver­haald dat er in de kerk ten behoeve van een gestrande schipper Freerk Boom, 30 gulden was gecollecteerd en den predikant in be­waring gegeven. Deze schraal bij kas zijnde en in den loop der week eene rekening wegens boeken aan eenen Meppelder koopman moe­tende betalen, leende die af van die 30 gulden, nadien de schip­per niet aanwezig was. Dit werd de diaken Radersma gewaar. Nu zegt men, dat deze den schipper opwekte (toen deze in de stad was terug­gekomen op Zaterdagavond, om des Maandags wegtevaren), om den Zon­dag niet te ontzien, maar op denzelven den predikant om die 30 gul­den te vragen. De man deed zoo. Ennu vroeg de predikant aan Abra­ham Hoeksma op Zondag zoo wel te leen, als hij nodig had om Freerk die collecte te kunnen geven. Broeder Hoeksma voldeed aan het ver­zoek, en de predikant gaf Freerk op Zondag zijn geld". 
U merkt dat dit citaat goed geschreven en vlot te lezen is en weinig taalfouten bevatte. Dit komt omdat het niet door een van onze kerkeraad was geschreven, maar waarschijnlijk door een van de classis. Vergelijkt u het bijvoorbeeld eens met een brief die door de kerkeraad aan een zuster der gemeente werd geschreven, en die moeilijk is te begrijpen­
"Waarde Zuster in Hope tot den gemeenschap der heiligen. Deze Zijn dienende om UE te doen toekomen het oordeel des kerke­raads omtrent de Zaak waarover wij als Commisjie met UE hebben. gesproken. N.L.: over de doop der kinderen het oordeel is als volgd: Daar UE voor zeker erkend en door belijdenis openbaar be­leden hebt de gereformeerde leer de eenige ware leer is tot zaligheid en dus in Zich volkomen bevat de volstrekte wil Gods zoo is het dat Zij UE gedrag en handel omtrend het volstan­dig weigeren om UE kinderen door den doop in het verbond Gods te doen inlijfen beschouwen en moeten houden voorop en tegenstand tegen de leer der waarheid die naar de Godzalig­heid leidt wesgenen de geopenbaarde wille(?) Gods te doen op welken grond wij Zich genoodzaakt vinden om UE te verzoeken en te vermaanen om van de tafel des Heren af te blijfen.
Namens de Kerkeraad getekend Y J. Feenstra VDM Prases, R.E. Feenstra, Schriba".
 
U bent nu natuurlijk verwonderd, dat deze brief o.a. onder­tekend is door ds. Y.J. Feenstra. Waar is ds Kreulen ge­bleven?Op deze vraag kunnen wij ook niet antwoorden, want vanaf 3 augustus 1846 verschijnt ds. Kreulen niet meer op de kerkeraadsvergaderingen en lezen wij ook niets meer over hem. In het jaarboek van de Gereformeerde Kerken staat ech­ter dat ds. Kreulen in 1846 is vertrokken naar de gemeente van Spijk. Dat dit een "noorderzonvertrek", was, vindt z'n oorzaak waarschijnlijk hierin, dat de kritiek op zijn per­soon hem te machtig werd. Hem werd o.a. verweten, naast bo­vengenoemde bezwaren, dat hij "liefdelóos en onbekeert'' was en dat hij in Drenthe een Slegt leeven had  gelijt”.Men wilde hem om dit alles zelfs afhouden van het avondmaal. Hoe deze zaak zich precies heeft ontwikkeld zal wel altijd een raad­sel blijven.
 
Dit was echter niet de enige en eerste keer, dat er iemand van het avondmaal werd onthouden: ongeveer tien keer werd deze straf toegepast op mensen, die na herhaalde malen ver­maand te zijn, niet van hun dwaalwegen, die velerleisoortig waren, wilden terugkeren. Dit was eventueel de ergste straf die in de regel werd toegepast: praktisch nooit werd er ie­mand afgesneden. Voor zover ons bekend gebeurde dit de eer­ste keer in 1848 met geval nr. 1 (zie aflevering l). 12 jaar lang had deze broeder dus onder censuur gestaan, terwijl hij in die periode onophoudelijk werd vermaand. Op een andere plaats lezen we, dat een afgesneden lid het nog durft te be­staan diakonale bijstand te vragen daar hij behoeftig was. Tegelijk met deze kwamen er nog meer vragen om bijstand en wel van o.a. ouders die nog een zoon in huis hadden die reeds zelf verdiende. De kerkeraad stelde nu voor om ook de plaat­selijke overheid te vragen de kosten mee te dragen,voor de armen uit de gemeente. Bovendien besloot ze op advies van ds. v.d. Werf uit Leeuwarden bovengenoemde ouders met ver­dienende zoon van het afgesneden lid geen bijdrage te geven.
We hebben nu gezien, dat er zo nu en dan enkele personen van het avondmaal werden onthouden, maar het gebeurde ook een keer, dat het avondmaal werd uitgesteld omdat een aantal leden hun bijdra­ge in het traktement van de predikant niet wilden betalen. Met de slechten werden dus hiermee ook de goeden getroffen.
 
Terugkomend op de komst van ds. Feenstra in onze gemeente nog het volgende: na het verdwijnen van ds. Kreulen, besloot men een nieuwe predi­kant te beroepen als er geld genoeg zou zijn. Dit was blijkbaar in orde op 30 april 1847, want toen stelde de kerkeraad de gemeente een drietal predikanten n.l. ds. A.B.. Groen, ds. F. Rediker en ds. R. Schenning ten Haren voor om hiervan één te beroepen, Achteraf kwamen er 'evenveel bezwaren tegen ds. Rediker. Voor hem in de plaats kwam toen ds. B. Amzing. Uit dit drietal werd gekozen ds. Schenning ten Haren, die echter bedankte. Door de kerkeraad werd toen weer een nieuw drietal gesteld De gemeente was het hier niet mee eens ze wilden een vrije stemming. De kerkeraad ging hiermee akkoord. e n gekozen werd nu ds. Y.J. Feenstra van Sexbierum, die het beroep aannam op 1 januari 1848. Zijn traktement werd gesteld op f 450,-- per jaar " zoo de beurs zulks mogt toelaten". De normale zaken in de gemeente konden nu weer geregeld worden: ­in februari begonnen de huisbezoeken en de catechisaties weer. De tijden voor de catechisaties waren als volgt vastgesteld­:
's morgens 10.30 uur de kinders; ’s middags 13.30 uur de jongelingen; 's avonds 7 uur de getrouwden". De jongedochters werden dus gewoon overgeslagen. Al gauw viel het dominee op, dat verschillende catechisanten niet geregeld of helemaal niet kwamen. Bij nader onderzoek bleek, dat verschil­lenden van hen geen boekjes hadden, terwijl anderen bij mensen in dienst waren die hiervoor niet vrijaf wilden geven.
Een van de andere zaken die ook nog geregeld werd, was dat men ertoe overging de plaatsen in de kerk te verhuren.
Na 13 jaar lezen we nu einde­lijk eens, dat er een huwelijk in onze gemeente werd bevestigd. Sinds de komst van dominee Feenstra gebeurde er dus heel wat. De biddag voor het gewas werd ook weer gehouden. Dit was ook mee aan Koning Willem II te danken. Deze wekte namelijk op tot het houden van een biddag voor het gewas. Dit wil niet zeggen dat de biddag voor het gewas, zo­als die nu regelmatig wordt gehouden, dateert van mei 1847.
 
Van de kant van onze kerkeraad werd nu ook kontakt gezocht met de wereldlijke overheid. We hadden namelijk geldmoeilijkheden: er was te weinig om het traktement, het huis van dominee en het kerkge­bouw te betalen. Nu stelde een kerkeraadslid voor om geldelijke steun te vragen aan onze overheid. Niet allen waren het hier mee eens, maar tenslotte werd toch besloten een request te zenden aan de koning. Ze kregen hier antwoord op, maar wat dit nu weer inhield:is onbekend. Wel weten we, dat er een brief wordt gezonden aan de "gouverneur” door. ds. Feenstra om een bijdrage in z'n traktement. Ook vroeger werd men al van het kastje naar de muur gestuurd, want de gouverneur verwijst naar de "Minister van Eredienst'', die op zijn beurt weer naar Zijne Majesteit de Koning of naar de rechtbank, verwees. U vraagt zich nu misschien af, wat de rechtbank hiermee heeft uit te staan. De kwestie was zo: in het eerste antwoord van de koning heeft waarschijnlijk gestaan, dat men niet zomaar geld van de overheid kon krijgen; eerst moest men proberen het in de gemeente zelf bij elkaar te halen. Dit ging moei­lijk, omdat verschillende leden hun bijdrage niet wilden be­talen. Nu zou de rechtbank ervoor zorgen dat de rekeningen werden verstuurd. Er kwam dus nu dwang achter, maar het geld stroomde nog niet vlot binnen, want dominee kon op een gege­ven moment niet eens een rekening van ƒ180,-- betalen en aan het eind van het jaar was er in het traktementen-boek een na­delig saldo ƒ 56,22.
 
Aan het begin hebben we gezien, dat de leden van de klassis vrij goed schreven, dat de kerkeraad veel slechter schreef en we laten nu nog een voorbeeld volgen van een brief van een gewoon gemeentelid: "Aan de Kerkenraad der afgescheurde .gemeente te Workum. Daar ik al eenen gerui­men tijd onder een Groot bezwaar verkeerd heb 't welk ik niet voorgenomen heb hier ter neder te stellen nog - indien het ge­vraagd wordt ook niet mondelings wensch te Openbaren, egter in het bedoelde bezwaar van tijd tot tijd meer bevestigd ge­worden. Zijnde, zoo is het dat ik door delen mijn vast voor­nemen aan UE: moet openbaren En het is dan Namelijk dit dat ik van nu En voortaan. Geen Lid maat van deze gemeente meer­ nog begeer te zijn heb tevens ver Zoek dat gij mij openbaar van mijn Litmaatschap ontslaat Zoo gij in dezen naar Uwe Kerkwet zult verneemen te moeten handelen".
 
We zijn begon­nen dit gedeelte met de komst van een dominee en we willen eindigen met het vertrek van een dominee. Op 3 december 1850.vertrekt ds.Y.J Feenstra naar Meden--Sappemeer. Weer kunnen we ons de vraag stellen: Wat zal de toekomst ons brengen?
 
 
Nieuwe bezems vegen schoon
 
Het lijkt traditie te worden, onze gemeente staat opnieuw voor het probleem: waar halen we een nieuwe dominee vandaan? Bovendien, waar halen we zijn tractement vandaan? Om met dit laatste te beginnen, zond de kerkeraad een verzoekschrift aan de koning "om bijlaag uit lands Kas door; daartoe eenigszins eene opene weg voor ons schijn gebaant te zijn", wat wel zal betekenen dat ze een bijdrage uit 's lands kas voor dit trak­tement wilden hebben. Naar alle waarschijnlijkheid hebben ze dit gekregen, want een volgende vergadering stelde de kerke raad een drietal predikanten voor, waaruit de gemeente een
zou moeten kiezen. Dit drietal was: ds. Pieters te Franeker, ds. Ochgels te Utrecht en de proponent Wagenmaker. "Als uit eenen mond" werd de proponent Wagonmaker gestemd. Hij kon echter nog geen beroep in overweging nemen omdat hij nog twee jaar moest studeren. Een jaar later werd nog eens het­zelfde drietal gesteld en weer werd Wagenmaker hieruit geko­zen. Welke redenen hij nu weer had weten we niet, maar hij kwam hier niet.
Dat ds. Kreulen nog eens een rol in ons beroepingswerk zou spe­len hadden we niet kunnen denken. Op een gegeven moment hoorde men namelijk, dat hij in Friesland zou komen prediken. Men vroeg hem toen of hij hier ook eens het Avondmaal zou kunnen bedienen. Toen dit niet kon vroeg men hem, of hij ook proponen­ten wist die hier met de Kerstdagen zouden kunnen komen proef­preken, opdat de gemeente er een uit zou kunnen kiezen als haar herder en leraar.
Waarschijnlijk had ds. Kreulen er wel enkele op het oog, want het uiteindelijke resultaat is geweest, dat we 23 november 1856, nadat de kerkeraad eerst z'n examen had meegemaakt, ds.N. v.d. Kley als onze predikant aan het hoofd van de kerkeraads­tafel zien plaats nemen.
 
Ds. v.d. Kley bleek een man te zijn, die van vergaderen hield. Hij voerde het aantal-kerkeraadsvergaderingen namelijk op van bijvoorbeeld 5 in 1851 tot 12 in 1856. Bovendien was hij een man die die vergaderingen ook uitbuitte: vrij geregeld kwamen er mensen die belijdenis wilden doen. Dit ging echter niet zomaar, want deze mensen werden nauwkeurig op hun kwali­teiten aangaande de geloofszaken getest, met het gevolg dat verschillenden werden "afgewezen wegens onkunde in geloofs­stukken". Toch kregen we met St. Nikolaas 1856 nog 6 nieuwe belijdende leden er bij.
 
Ook tuchtgevallen waren in deze tijd aan de lopende band, bij­voorbeeld aangaande een broeder die notabene "Antwoorder van de Catigismusvragen in de Kerk" was en desondanks zich schuldig heeft gemaakt "aan veel Jongenskwaad alsmede misbruik van ster­ken drank".
Ds. v.d. Kley had de kerkeraadsleden aan het werk gezet, maar hij bleef zelf ook niet gespaard: op Hemelvaartsdag moest hij 2 keer in onze gemeente preken, wat hem maar slecht aanstond. Ondertussen waren de kerkdiensten.op zondagmiddag op 5 uur gesteld.
Ds. v. d. Kley heeft hier maar goed anderhalf jaar gestaan, want op 22 augustus 1858 neemt hij een beroep aan naar Tiel.
 
Een ongelukkige tijd brak nu aan: vele keren (pl.m. 10 keer) word een drietal predikanten "op 'nominatie gesteld" en werden er beroepen op verschillende predikanten en proponenten uitge­bracht, maar óf ze bedankten, óf ze gaven helemaal geen ant­woord, óf ze zakten voor een examen, wij kregen in elk geval geen dominee.
Dit bleef zo tot 26 september 1860. Toen kon gekozen worden uit het drietal ds. K.J. v. Goor te Sneek, ds. v.d. Sluis te Boseum, ds. M.H.J. Bosch te Scharnegoutum.
Laatstgenoemde, die zelf "president" van deze- gemeentevergade­ring was, werd gekozen en beroepen, en bevestigd op 11 novem­ber 1860.
 
Onze nieuwe predikant hield van orde en netheid. In de eerste plaats vond hij, dat de notulen wel veel beter, veel uitge­breider en veel netter zouden kunnen worden geschreven. "Nou dominee, dan moet u het zelf maar doen" was het laconieke antwoord van de kerkeraad. Hier had ds. Bosch niet van terug en hij kweet zich in het vervolg nauwkeurig en op humoristische wijze van deze taak.
Vervolgens wierp ds. Bosch zich vol ijver op het probleem van de zitplaatsen:
"Men besloot om tot de verhuring der zitplaatsen over te gaan op vrijdag den 23 november des namiddags. Dat de huurtijd gere­kend zoude worden ingegaan te zijn met den 1 dezer en eindi­gen zoude met den 31 October 1861. Dat de huurpenningen in
drie termijnen zouden worden opgehaald en wel op den 1 Februari, l Mei en 1 Augustus
1861. En dat de huurder bij de verhuring van een stoel 25 en van een zitplaats in eene bank dadelijk 15 cent opgeld zal betalen. Daarbij werd bepaald dat voortaan op iederen eersten zondag in de. maand bij het uitgaan der Kerk ten haren behoeve zal gecollecteerd worden”. Ook op het gebied van het archief stond onze predikant zijn man­netje. Hij eiste namelijk, dat alle archiefstukken, die in het bezit zwaren van verschillende personen, werden verzameld en in een aparte kist opgeborgen. Dit.zou gebeuren. Aan een tweetal kerkeraadsleden werd opgedragen voor een kist te zorgen. De­zen waren evenwel oostindisch doof, want het moest drie keer tegen hen gezegd worden voor ze met de kist kwamen opdagen.
 
Ds. Bosch hield blijkbaar veel van.kisten, want ook voor de kollekten moest er een worden aangeschaft, omdat hij het niet vertrouwd vond dat dat geld altijd zomaar in een laatje in de kerk was opgeborgen.
Bovendien werd besloten, dat het kollektegeld niet 's-zon­dags,meer zou worden geteld, maar op een dag in de week en wel door de predikant met 2 diakenen. De kist zou staan in de pa­storie, maar de sleutel zou een van de diakenen meekrijgen
Wanneer dominees ‘s zondags op de preekstoel stond "ergerde hij zich altijd heftiglijk over de duimendikken lagen stof op de lampen. Er werd besloten ze te doen schoon maken, hetwelk door slordigheid jaren verzuimd was".
 
De dominee dacht echter niet alleen aan stoffelijke dingen, maar ook aan geestelijke, wat wel uit het volgende citaat blijkt: "De predikant berigt dat hij met eenige broeders een weekelijk­sche bedestond is begonnen, om de uitstorting des H. Geestes".
In aansluiting hierop nemen we het volgende nog over uit de notulen van 29 januari 1861: "Ingevolge de uitnodiging gedaan, door broeders te Batavia en Liverpool aan alle liefhebbers van Sion over de geheele aarde, hebben ook wij van den 6 tot en met den 13e january dezes jaars alle avonden van 8 tot 9 uur een bedestond gehouden inzonderheid om overvloedige uitstorting des h. Geestes".
 
Vergeleken met de grote zaak waarmee we nu beginnen, waren al deze voorafgaande dingen slechts kleinigheidjes: "Toen op den 12 Mei j.1. de viering van des Heeren H. Avond­maal in de gemeente plaats vond, ging broeder A. (een diaken)­ in plaats van met de gemeente op te gaan - tot verwondering en ergernis van velen, naar het naburige Ferwoude naar de Her­vormde Kerk. Des namiddags na het eindigen der godsdienstoefe•­ning vroeg de predikant hem naar de oorzaak van zijn en zijner vrouw wegblijven uit de morgengodsdienst en van het Avondmaal. Hierop antwoordde genoemde burger: "Ik ben vanmorgen naar Ferwoude geweest. Ik heb ds. Meerdink gehoord en dat is mij goed bevallen, zoodat ik daarvan meer gebruik denk te maken". Hierop werd eenvoudig "zóó" geantwoord daar de predikant oor­deelde over die zaak in den Kerkeraad nader te moeten spreken. Dewijl genoemde broeder nu aanwezig was, verzocht de predikant hem, den broeders de oorzaak van dat gedrag te willen zeggen. Genoemde broeder verklaarde bezwaren te hebben niet tegen den persoon des leeraars, maar
1e. tegen zijn te veel loopen op de straat, en te weinig stude­ren.De predikant moest minder bij de onafgescheidenen, meer bij de gescheidenen komen, en meer studeren, dan zou hij zondags beter werk op de predikstoel brengen.
2e. tegen zijne prediking had hij dit bezwaarr dat de verkondi­ging van de Christus niet plaats vond, althans zoo niet als hij het wenschte.
Op de vraag of er nog meer bezwaren waren tegen hem als predikant, antwoordde br. Bos (een ouderling) dat hij zich in deze met br. A. vereenigde. 'Hij protesteerde tegen het werven en proselyten maken. Ieder moest zich uit overtuiging bij de afgescheidene gemeente voegen". Later op de avond voegde br. B. hierbij nog het bezwaar dat hij had tegen de prediking van ds. Bosch over Zondag 21 van de Hei­delbergse Catechismus. Hierin had hij doen uitkomen, dat in de­ze zondagsafdeling wordt gesproken over "de vergadering der zichtbare kerk". Volgens br. B. ging het hier over de onzïcht­bare kerk. Onlangs was hij nog in zijn mening gesterkt door de preek van de bekende (Hervormde predikant) Nikolaas Beets uit Utrecht over deze zelfde zondag.
Om al deze dingen besloten de beide broeders hun ambt neer te leggen. Vervolgens wijst ds. Bosch br. A. nog op het feit dat hij in het begin van dit jaar zijn ambt ook al had willen neerleggen, maar hier later toch weer van terug kwam. Hij vindt het daarom erg eerlijk van br. A, dat hij zijn ambt zo hoog opvat, dat hij niet voor een zaak wil werken waarmee hij het in z'n hart niet eens is. Daarom zal hij hem ook niet weer vragen zijn ambt nog eens te aanvaarden.
Als ds. Bosch aan het eind van de vergadering aan de beide broe­ders vraagt of ze bij hun besluit blijven, antwoord br. B.­"om scheuring te voorkomen neem ik mijn woord terug, en wil ik mijn ambt bedienen tot aan Nieuwjaar". Br. A blijft echter bij zijn besluit.
 
Deze zaak is echter nog lang niet afgelopen. Het is nu juist de tijd dat de kerkvisitatoren zullen komen en ook zij zullen in deze zaak gemengd worden.
 
 
Strubbelingen
 
Het gevolg van de vorige kerkeraadsvergadering en het bezoek van de visitatoren op 6 augustus 1861 was dat broeder B, ds. Bosch de hand reikte en erkende dat er verkeerd over de pre­dikant was gesproken: "Hij vroeg vergiffenis en beloofde zich in het vervolg voor zulke handelingen door Gods genade te zul­len wachten". Aangaande broeder A die hiertegen gewetensbezwaar had, "werd goed gevonden om hem niet weer op te wekken tot aanvaarding van zijn ambt tot diaken, maar hem uit te no­digen op de eerstkomende Kerkeraad, zijne papieren, gelden en boek, in handen des Kerkeraads te stellen. Werd het dan open­baar dat zijn gewetensbezwaar was weggevallen, deed hij dan schuldbelijdenis en verzocht hij om vergeving met belofte om zich voortaan, als een diaken betaamt, te zullen gedragen, dan zoude hij als diaken weer worden aangenomen, indien hij dat be­geerde".
En hij begeerde dat, waarop ds. Bosch hem de volgende kerkeraadsvergadering deze vragen stelde: "of zijn gewetensbezwaar was weggevallen, of hij het verkeerde zijnder handelingen ook als diaken, inzag en beleed, of hij do predikant om. vergeving verzocht wegens de belediging hem aan­gedaan, en beloofde om zich voortaan zooals eer diaken betaamt­ - door Gods genade- te zullen gedragen?" Br. A kan hiermee akkoord gaan, waarop "de predikant hem de hand der verzoening aanbood, die door genoemden broeder werd aangenomen". De andere kerke­raadsleden stemden hiermee in en de gemeente had haar diaken terug.
 
Intussen brachten de visitatoren op de classis verslag uit van hun bezoek in Workum. De leden van de classis namen evenwel geen genoegen met hetgeen door de broeders A en B was beloofd en wat daarna door de kerkeraad was besloten, omdat volgens hun de beide broeders "bij hun gevoelens gebleven waren en ds. Bosch de hand alleen maar gereikt hadden "om scheuring te voor­komen.”
Het oordeel van de classis was daarom, dat de beide kerkeraads­leden.uit hun ambt moesten worden geschorst en moesten worden onthouden van .het avondmaal.
Onze gedachten gaan nu weer terug naar Workum. Hier weigert broeder A zijn boeken, die hij had in de funktie van ouderling-­boekhouder-kerkvoogd, in te leveren zolang zijn vonnis, dat hij.ónrechtvaardig vond, niet van de kansel "publiekelijk" werd af gekondigd. Ds. Bosch wilde dit echter alleen maar doen op een vergadering van de mansleden van de gemeente.
 
Om de zaken scherp te stellen werd broeder A nu een briefje ge­stuurd, waarin hij werd uitgenodigd de boeken enz. op de eerst­komende kerkeraadsvergadering in te komen leveren. Als antwoord komt broeder A een paar uur later aan de pastorie. Noch op het verzoek van mevrouw, noch op het verzoek van domi­nee zelf wil hij binnenkomen. Als laatste, poging van dominee om hem vriendschappelijk tegemoet te komen, steekt hij de hand naar broeder A uit, waarop laatstgenoemde antwoord: "Die wil ik niet hebben. Ik heb een briefje van u ontvangen, en ik zou u hierop mèt een briefje geantwoord hebben, maar op­dat gij dat niet zoudt kunnen misbruiken kon ik u mondeling zeggen, dat ik de boeken, papieren en gelden niet overgeef voor en aleer gij van de predikstoel ten aanhoore van een ieder mijn vonnis en zonden hebt afgelezen. Meer heb ik u niet te zeggen. Hebt gij dat wel goed begrepen? Foei, hoe kunt gij mij ten lasten leggen hetgeen nooit uit mijn mond is       gegaan. O!O!"
Broeder gaf dominee geen gelegenheid meer om te antwoorden,  want na deze woorden liep hij ogenblikkelijk weg. Daarom stuur­de dominee hem maar een briefje, waarin hij hem in de eerste plaats toewenste, dat de Heere hem met Zijnen Heiligen Geest mocht vervullen en hem vervolgens erop wees Lukas 6,27-29 en Rom. 12-.17 eens te lezen, waar het gaat over het liefhebben van onze vijanden.
In deze brief werd tevens weer de uitnodiging herhaald on op de eerstkomende kerkeraadsvergadering te komen, terwijl de ex­ diaken broeder B hetzelfde verzoek ontving. Ook werd voor deze vergadering de dominee met een ouderling van de kerk van Bols­ward geïnviteerd. Mochten deze laatsten verhinderd zijn, dan werd "per omgaand schip" (trekschuit) bericht verwacht.
Al deze uitnodigingen hadden evengoed niet verstuurd kunnen worden, want iedereen bleef weg, zonder iets te zeggen. Wel stuurden de broeders A en B enige tijd later een briefje, waarin zij nogmaals hun standpunt aangaande zondag 21 uiteen­zetten en de kerkeraad verzochten broeder Feenstra te sturen, die dan de boeken enz. mee zou krijgen. De broeders kerkeraads­leden wensten niet op deze brief in te gaan, terwijl ze er voor de zoveelste keer nog eens over spraken of het vonnis van de kansel zou worden afgelezen. Opnieuw besloot men dit niet te doen met de volgende motivering: “Algermeen dachten de broeders kerkeraad, dat de broeders A en B die voorlezing wilden om er hun oogmerk mee te bereiken. Een oogmerk dat hier niet genoemd kon worden en waartoe de kerkeraad, hen niet behulpzaam mocht zijn".
Na nog een paar keer vruchteloos heen en weer geschrijf en gepraat, gaat broeder Feenstra tenslotte de papieren, boeken en gelden ophalen. Bovendien worden beide gezinnen nog eens opge­zocht door de predikant met een ouderling. Hiervan was echter het enige resultaat een heleboel scheldwoorden en tergende uitdrukkingen, vooral door de vrouwen (!), waarbij de verzeke­ring werd gegeven dat ze de afgescheiden kerk, zoveel in hun vermogen lag, zouden tegenwerken.
Broeder A wilde het kontakt met de kerk nu ook radikaal verbre­ken want op de vraag van de kerkeraad of hij de van de kerk ge­huurde tuin nog langer wilde houden, antwoordde hij met een vastberadens "Neen!”
 
De volgende stap van de kerkeraad was nu, br. A te verzoeken de haag, tussen de tuin van A zelf en die van de kerk, die hij in­dertijd had uitgeroeid, opnieuw te planten. Om herrie te voor­komen voldoet A aan dit verzoek en de kerkeraad komt hem ook tegemoet door de volgende zondag het vonnis in de kerk af te lezen.
De kerkeraad meende, dat de zaak daarmee afgehandeld was en dat daardoor het kontakt met de beide opstandelingen volledig ver­broken was. Niet alzo dachten dezen er echter over, want ze waren het nog steeds niet eens met het volgens hun onrechtmatige vonnis door kerkeraad en klassis uitgesproken, wat ze op de volgende manier tot, uiting brachten: "De vergadering van de kerkeraad in de predikantswoning word tweemaal door A en zijne vrouw en de vrouw van B gestoord. Hoewel zij wisten, want br. Feenstra had het hun gezegd, dat zij door de Kerkeraad niet zouden ontvangen of gehoord worden, maar dat zij hunne bezwaren of begeerten schriftelijk hadden in te dienen, zoo zij wilden, trachtten genoemde personen zich toch op eene stoute wijs toegang tot de vergadering te verschaf­fen. Toen hun die door de predikant belet en geweigerd werd, en noodzaakte om zijne woning te verlaten, deden zij het op eene zoodanige wijs, dat de buren aan de deur kwamen en de voorbijgangers op de straat staan bleven, en riep A luidkeels uit: "dat is een beestenboel"!
Eenige ogenblikken daarna wisten de opgenoemde vrouwen des pre­dikantsvrouw te verrassen en in huis te dringen, met verlangen, om in de vergadering gebragt te worden. Toen de predikant haar bij vernieuwing verklaarde aan dat verlangen niet te kunnen voldoen, en zij verklaarden niet weder als kwade kinderen te willen worden weggestuurd, herhaalde hij hetgeen hij voor wei­nig oogenblikken, toen zij er voor het eerst in waren, gezegd had. Hierop werd door die vrouwen ten deele ontkend hetgeen zij vroeger gezegd hadden. Ondertussen sloeg A van buiten onop­houdelijk op de deur en wilde dat zijne vrouw er uit kwam.
De vrouwen grendelden de deur, wilden niet naar buiten maar in de vergadering. Nadien hun dat niet gelukte en A doorklopte en schreeuwde om zijne vrouw, bevelende dat zij uit het huis moes­ten komen, zoo deden de vrouwen de deur weer open en vertrok­ken waarbij vrouw B inzonderheid scherpe woorden deed hooren. Niet minder dan bij het eerste bezoek kwamen de buren aan hunne deuren en bleven de voorbijgangers op de straat staan" .
 
Elke herinnering aan deze kwestie wilde de kerkeraad nu uitwis­sen en dat betekende o.a. dat ze aan A verzochten de deur die achter in de kerk zat en waar hij elke dag doorheen liep en zo­doende nog een geheel vrije toegang tot de kerk had, dicht te la­ten metselen. Daar men toch wel wist dat "A toch niet vrijwillig aan dit verzoek zou voldoen, dreigde men direkt maar met "vrees­aanjagende middelen" o.a. de kantonrechter.
De kerkeraad had goed gedacht, want inderdaad weigerde A de deur dicht te maken omdat deze er indertijd met toestemming van de kerkeraad gemaakt was.
Ook de kantonrechter uit Sneek, wiens hulp door de predikant was ingeroepen, was niet bij machte A te bewegen de deur dicht te met­selen. '`Daarom was de predikant naar Snoek gegaan om de hulp van den als gevoegden regter in te roepen. De kerkeraad oordeelde niet te mogen toelaten dat A langer eene zichtbare altoosdurende erfdienstbaarheid op ons kerkgebouw konde leggen waartoe hij niet het minste regte heeft. Zij verlangt dat A evenals vroeger geweest is, weder regenwater door middel enen pomp uit de regenbak erlange, die hij met de gemeente massaal heeft en in de kerk ligt". Dit betekende dus, dat hij weer gebruik- moest maken van de pomp en niet meer in de kerk mocht komen om het water gewoon uit de regenbak te putten.
Dank zij het werk van de zaakwaarnemer in Sneek, die onze kerke­raad in de arm had genomen, en de voortdurende druk die door de kerkeraad zelf op hem werd uitgeoefend, besloot A tenslotte de deur dicht te metselen en een pomp in zijn huis aan te leggen. Deze heugelijke tijding word niet door A zelf gebracht maar door notaris Tjebbes, de zaakwaarnemer van A, waaruit we op kunnen maken, dat A nog steeds "toornig" was.
 
 
Bouwaktiviteiten
 
In de vorige aflevering werd geschreven over het dichtmetselen van een deur in het kerkgebouw. Blijkbaar had men nu ont­dekt dat er nog wel iets te veranderen viel aan het gebouw want in de notulen van 13 januari 1862 lezen we het volgende: "Daar ons kerkgebouw aan den achtergevel groote reparatiën ver­eischt - welke gevel reeds gestut is – daar het te klein is voor de menigte hoorders, en de zitplaatsen allen te naauw zijn; daar er zeer veel waarschijnlijkheid is dat wij een grooter en luchtiger kerkgebouw bezittende, ook meer menschen onder het gehoor des woords zouden komen; daar er geen kosterij bij
kerk is, waardoor vele ongerijpelijkheden gedurig onderrvonden worden; zoo brengt de predikant al deze zaken den broeders eens voor den. aandacht. En op de vraag wat in deze omstandigheden het wenschelijkst is voor de gemeente, komt men na enige ­redeneringen met elkander daarin overeen, dat het het verkie­selijkst is, om te zien naar eene andere gelegenheid om daar eene kerk te bouwen die aan de vereischten kan voldoen, met eene kosterswoning er bij, en zoo mogelijk ook eene pastory, om daarna de tegenwoordige kerk te verkopen. Maar tot dit al­les is geld noodig en hoe daar aan te komen? Daar er wellicht spoedig eene goede gelegenheid te koop komt, stelt de predi kant voor om te zien of eenige vrienden deselve willen koopen ten behoeve der gemeente, met belofte om ten minste binnen vier jaren de helft der koopschat te zullen terug geven, voor de andere helft het gekochte te verbinden. Om nu de helft der koopschat te vinden moest eene inteekening gehouden worden om die in vier jaren te betalen. Dit plan wordt goedgekeurd
en besloten om, onder 's Heeren zegen, te beproeven hoe ver het kan worden uitgevoerd. De aanvankelijke uitvoering neemt de predikant op zich".
 
Na enige tijd doet de predikant verslag van zijn bevindingen. Op de kerkeraadsvergadering komen ze samen tot de konklusie, "dat er geene goede gelegenheid is geweest om te koopen het­geen de gemeente, paste". Bij nader onderzoek bleek tevens, dat de achtergeve1 geheel vernieuwd moest worden en daarom be­sloot men terslotte hem 10 voet achteruit te plaatsen "om de daardoor verkregene ruimte, vervolgens over de zitplaatsen te verdeelen" . Bovendien kon daarachter dan een kosterswoning en een catechiseerkamer gebouwd worden. Een van de kerkeraadsleden, broeder Feenstra, had al een bestek opgemaakt. De kosten van het hele plan zouden volgens hem ƒ 1400,- bedragen. Om dit geld bij elkaar te krijgen opende men een intekening wat in het begin echter niet zo vlot liep. Daarom zouden nu alle kerkeraadsleden er achteraan en men besloot het tekort te dekken met een renteloze of een rentegevende lening.
Kennelijk had broeder Feenstraa iets te hoog gereikt, want bij de inschrijving, waaraan een lid van de gemeente, M. van Dijk, en iemand die geen lid was namelijk Jelle de Boer, "als zijnde iemand die belang in de waarheid en in onze ge­meento stelde, deelnamen, werden bedragen genoemd van ƒ 697,- en ƒ 560,-. Het werk werd aan de laagste inschrijver Jelle de Boer, gegund.
 
Niet alleen de kerk, maar ook de woning van de predikant vol­deed niet meer: "Nadien de woning voor de predikant grote gebreken heeft en voor hem ongeschikt is, welke door den verhuurder niet wil­len of kunnen worden weggenomen, zoo wordt besloten om naar eene geschiktere woning om te zien en deze niet meer in te huren. Mogt er onverhoopt geene kunnen gevonden worden, dan zoude men onder 's Heeren zegen trachten, om voorloopig, achter de kerk, twee woningen onder een dak  te erlangen waarin de predikant zich dan zoolang zou behelpen, tot er eene geschiktere woning gevonden is. Waarna die Waarna die woningen dan voor eene kosterswoning en catechiseerkamer kunnen dienen".
In dec.1862  kwam de rekening van de uitbreiding van de kerk: ƒ 621,52 (het viel tegen!). Maar toch kan dit bedrag praktisch geheel door inschrijvingen worden gedekt.
 

M.H.G. Bosch                        ƒ 50,-
A.P. de Jong               - 25,-
A.J.R.Hoeksema        - 28,-
J.Boorsma                   - 10,-
S.Postma                    - 50,-
Vrouw Schotsman      - 20,-
Vrouw Haagsma        -    7,50
Simon Katsma                        -    2,50
D.Moorhoff                -    2,-
W.Heinsius                 -    5,-
J.Wagenaar                 -    7,50
S.D. de Jong               -    5,-
Jou vd Akker              -    7,50
Jouke Beekma                        -    3,-
Jelle de Boer               - 10,-
Jan Broksma               - 25,-
Durk Driebergen        - 15,-
Koen Driebergen        -    5,-
Rintje J. Visser           -100,-
P.Hoekema                 -100,-
H.Stuut                       - 50,-
M.Yntema                  -    5,-
H.Klooster                  - 10,-
Wed. Bosma               - 15,-
Eelke Postma Sen.      -    2,-
N.N.                           - 15,-
In sept. in ’t kerkzakje - 35,-
Samen                         ƒ 610,-

Rintje J. Visser gaf bovendien nog ƒ 100,- ten behoeve van de pastorie
 
 
Bouw en opbouwproblemen.
 
Om op de predikantswoning terug te komen: toen de verhuurder er achter kwam, dat de predikant de woning ongeschikt vond en naar een betere had omgezien, voelde hij zich zo gekwetst, dat hij gewoon de woning aan een ander verhuurde. Dit had noodzakelijkerwijs tot gevolg, dat men meer haast moest maken met het zoe­ken naar een nieuw onderkomen voor onze herder en leraar. De predikant zelf slaagde er tenslotte in een woning op te scharrelen, die de kerkeraad ƒ800,- kostte en waarin nog voor ongeveer ƒ 600, - verklost zou moeten worden. Daarna zou een laagje verf ook wel belangrijk zijn. Om het benodigde geld bij elkaar te krijgen, ging de predikant toen met een intekenlijst rond. Dit leverde ƒ182,50 op, waarvan het, ver­ven en behangen van de nieuw pastorie kon worden betaald. Ondertussen hebt u zich misschien al afgevraagd, waar die nieuwe predikantswoning wel zou moeten staan. Voor zover we dit na kunnen gaan, moet dit het huis zijn geweest, waar tegen­woordig J.R. Riemersma (Noard. 61) woont. Tot ongeveer 1910 is dit zo gebleven.
Van de pastorie gaan we weer terug naar de kerk. Ondanks de uitbreiding, bleek de kerk toch nog een voorwerp van aanhouden­de zorg te zijn voor de kerkeraad, want de banken op de gale­rij moesten eigenlijk nodig vervangen worden door nieuwe. Toen dit bekend werd, ook buiten onze eigen gemeente, begon er iemand na te denken over een interkerkelijk kontakt. Er woonde namelijk in Workum een man, die in het bezit was van kerkbanken “die per stuk wel ƒ 10,-  hadden gekost", en.... die af­komstig waren uit een Lutherse kerk. Nu bood hij onze gemeente deze banken aan voor slechts ƒ2,- per stuk terwijl hij bo­vendien zelf het geld wel wilde voorschieten. Dit aanbod werd door de kerkeraad aangenomen en de banken zouden in gebruik worden genomen na de plaatsverhuizing in dat jaar (1863). Aan het eind van het volgend jaar sprak men er over om ook de andere kerkbanken te vernieuwen, wat volgens deskundigen echt wel nodig was. Men ging niet over één nacht ijs. Lang en breed werd er over gesproken hoe men aan het benodigde geld zou moe­ten komen, dit lange en brede omdat men er eigenlijk allemaal op wachtte tot dominee zich weer zou aanbieden om met een in­tekenlijst rond te gaan. Dit gebeurde dan ook prompt. ƒ 123,50 moest worden opgehaald en dit gelukte. Op een zondag in begin november stapten de kerkgangers verwonderd het kerk­gebouw binnen. Niet alleen de banken waren echter vernieuwd, maar ook de ingang van de kerk was veranderd, omdat de trap naar de galerij was verplaatst, dit laatste vanwege de tocht.
 
We laten nu voorlopig de gebouwen met hun inventaris met rust en bepalen ons opnieuw bij interkerkelijke werkzaamheden, in die zin dat men het standpunt van andere kerken zo objectief mogelijk probeerde te bekijken en ook het goede er in te zoeken. Dit blijkt b.v. uit het volgende citaat:
"In ons midden kwam... Een en ander maal had deze met ons des Heren dood, verkondigd, zonden dat hij zich, als naar gewoonte en gebruik, aan de gemeente had aangesloten. Nu was hem te ken­nen, gegeven dat wij, hoe lief en dierbaar hij ons ook was, hem toch op die wijs niet konden laten voortgaan. Hoewel hij onze handelwijs moest goedkeuren, en wij hartvereenigend met hem spraken, ook wat ons kerkelijk standpunt aangaat, voelde hij zich in zijn gemoed bezwaart, om openlijk in de kerk de gewone drie vragen te beantwoorden, daar hij eenmaal eene regtzinnige­ belijdenis had afgelegd in het jaar 1825 in het Hervormde ge­nootschap. Wanneer hij nu wederom belijdenis deed, dan scheen het of zijn vorige belijdenis niet goed was, of werden velen zijner vrienden, vooral in Makkum, in die dwaling versterkt dat de Afscheiding inhield een aannemen eener nieuwe leer. Wij merken hier op dat genoemde broeder jaren aan een ouderling te Makkum is geweest in de grote Kerk. Dat hij dat ambt neerlegde toen hij Makkum met der woon verliet dat twee jaar geleden plaats vond, toen hij zich in ons midden vestigde. Wij hebben getracht hem zijne bezwaren te ontnemen en daartoe ook des Heeren aangezicht gezocht. En hoewel hij daar niets tegen had in te brengen, verk1aarde hij toch: nu nog niet zich vormelijk te kunnen aansluiten; maar de zaak biddend te willen overwegen. Mocht de Heer hem bekwamen om over alle zwarigheden die zich opdeden te kunnen heenstappen, gelijk hij zag dat hij doen moest naar des Heeren woord, dan was hij bereid ons eer hij aan de Nachtsmaalstafel kwam, zich vormelijk met de gemeen­te te verenigen, daar hij hartelijk met haar vereenigd was.­ Nadat wij nu des Heeren aangezich nog gezocht en om bekwaammakende genade gevraagt hadden, verliet hij onze vergadering".
 
Er werd zoëven gesproken over de Nachtmaalstafel. Deze leverde nog andere problemen op, dan principiële. Ook materiële kwes­ties speelden rondom deze tafel en haar gewichtige taak: "Nadien de gemeente tot het gebruik des Avondmaals, maar één wijnkannetje, twee bekertjes, doch geene borden bezat, zoo dat de schotel ook voor bord moest dienen, zoo was er al een tijd lang behoefte gevoeld aan verbetering en vermeerdering van het Avondmaalsmaterieel, vooral door de vermeerdering der dischge­noten. Daartoe opgewekt, gingen twee zusters der gemeente, de vrouw van de predikant en die van ouderling Hoeksema, daartoe liefdegaven inzamelen en de Heere zegende hunne pogingen dermate dat H. van Lingen te Amsterdam in het laatst van November 1865 overstuurde
2 tinnen wijnkannen, ’t stuk ƒ 7,-                  ƒ 14,-
2 idem schotels, ’t stuk ƒ 3,-                         ƒ   6,-
2 idem bekers, ’t stuk ƒ 1,50                         ƒ   3,-
Onkosten en vracht                                       ƒ   0,57
                                                                       ƒ 23,57
Zo de Heere wil zal dat goed in de maand Februari 1866 voor het eerst gebruikt worden. Ook kon een nieuw tafellaken aangeschaft worden uit het ingezamelde geld.”
 
Een andere zaak die u zal interesseren is het onderstaande: “De president deelt de vergadering mede dat de provinciale vergadering besloten heeft, dat in elke gemeente dezer provincie voortaan jaarlijksch een collecte zal worden gehouden ten behoeve van arme jongelingen die lust en aanleg hebben om de gemeente des Heeren als onderwijzers der jeugd te dienen, voor hen zal een opleidingsklasse aan de Bijzondere School te harlingen worden opgerigt. Deze school behoort daar aan des Heeren gemeente.” (De opleiding voor onderwijzer was toen nog niet wettelijk geregeld.)  
                       
 
Waarheid en recht
 
Op 19 december 1865 werd een brief geschreven aan de Raad der Chr. Afgescheiden Gemeente van Leeuwarden door onze kerkeraad, die ons erg,belangrijk schijnt. Deze brief handelt nog over . een tuchtgeval. aangaande een persoon, die sinds het begin der jaartelling van onze kerk altijd al "onmeegaand" was geweest. Genoemde persoon was sedert geruime tijd woonachtig in.Leeu­warden en had weer om aansluiting bij de Gereformeerde Kerk verzocht, en nu vroeg de kerkeraad, die ook niet over één nacht ijs wilde gaan, om "een extract uit zijne geschiedenis met eene memorie van toelichting", omdat zij waarschijnlijk hadden gehoord, dat er iets met deze broeder aan de hand was geweest.
Onze kerkeraad vertelde nu hoe de betrokkenn persoon geweigerd had om een koopakte van onze kerk, die in zijn bezit was, over te dragen. Wij hebben de geschiedenis al verteld: zelfs de rechtbank en notaris Tjebbes kwamen eraan te pas, met als resultaat dat hij toegaf en toch toen puntje bij paaltje kwam zijn woord weer verbrak en de koopakte dus in zijn bezit hield. Ook om een andere kwestie was hij al eens afgesneden geweest en nu was hij vertrokken. Toch wilde hij het in Leeu­warden opnieuw proberen.
Als waarschuwing schreef onze kerkeraad nu: “Wij verlangen dat …. voor alles eerlijk worde jegens Gods gemeente, eer zij hem ten derden male in haren schoot opneemt. Tegen die opneming zonder geheele voldoening, zullen wij ons moeten ver­zetten".
De Leeuwarder kerkeraad was danig gebelgd over de brief die zij uit Workum had gekregen, waarvan zij meende dat deze lang niet een antwoord was op het gevraagde: er werd namelijk een uitvoerig extract verlangd uit "de separeringshistorie" van de gecensureerde. En nu had men.alleen.maar enkele losse opmer­kingen over hem ontvangen, waar men beslist geen genoegen mee nam.
Onze kerkeraad schrijft nu weer een hele verhandeling over wat een extract is. Leeuwarden wordt boos en zegt: "Wij zien daaruit, dat wij met u niet vorderen kunnen in de kerkelijke wederopname van ….. als lidmaat der Kerk. Redenen waarom wij bij dezen appèl aanteekenen op de classis Van Snoek, op wier eerste vergadering de zaak in kwestie door ons zal aanghangig gemaakt worden".
Intussen krijgt onze kerkeraad bericht van de persona non gra­ta, dat hij zich niet tot de classis maar zelfs tot de pro­vinciale vergadering zal wenden.
De volgende stap van onze kerkeraad is een brief schrijven aan de Provinciale vergaderingvan de Gereformeerde Kerken, waarin de hele zaak nog eens uitvoerig uit de doeken wordt gedaan en de vergadering wordt aangeraden geen verdere stappen te doen, maar ….... naar de kerkeraad van Workum te verwijzen, aangezien hij weer van plan is “Zich metterwoon te vestigen in Workum”. De Provinciale vergadering besluit een commissie in te stellen, die samen met de classis te Sneek en de kerkeraad van Workum en de bewuste persoon over de kwestie zal spreken, om zo tot een oplossing te komen. Bovendien schrijft ze aan onze kerke­raad:
“Nadien …… en zijn wijf herhaaldelijk hebben verklaard, dat zij de predikant en kerkeraad niet erkennen als hunnen leeraar en opzienders, deze hen niet langer erkennen kunnen als leden der Gemeente, waarover zij als opzienders gesteld zijn. Zoo oordeelde de vergadering, dat deze uitwerping wederregtelijk is en besloot, dat de Kerkeraad van Workum over deze ei­genmagtige handelwijze eene provinciale bestraffing zal ont­vangen, welke door dezen geschiedt in de verwachting, dat de kerkeraad van Workum voortaan voor zoodanige eigendunkelijke handelwijze op zijn hoede zal Zijn".
Ondertekend door J.R. Kreulen (pr.). (U herinnert zich deze predikant die als leraar van onze gemeente met de noorderzon vertrok naar Drente).
Op de kerkeraadsvergadering waar deze brief wordt besproken, maakt men hiertegen ernstige bezwaren. Onze kerkeraad vindt het namelijk niet nodig, dat de Provinciale vergadering zich met deze zaak heeft te bemoeien en dat er daarom ook geen door haar benoemde commissie nodig is om als middelares dienst te doen tussen de kerkeraad te Workum en een man, die geen lid meer van deze kerk is. Bovendien kan onze kerkeraad de bestraffing niet aannemen.
“De broeders spraken voorts op welke voorwaarden wij ons met..... zouden-kunnen verzoenen. Het zoude kunnen geschieden ten 1" wanneer hij onze vergadering vroeg van de beledigingen den Kerkeraad aangedaan en betuigde dat zij hem van harte leed zijn;
ten 2“ wanneer hij terug gaf de onkosten om zijnent wil naar en te Sneek gemaakt, alsmede tien gulden voor den muur dien wij hadden moeten laten zetten, om minder last te hebben van de pomp die…...niet tegen den middelmuur in den gang, maar tegen eene plank in den muur had doen plaatsen en voorts de opening der deur met een halve in plaats van met een heele steen had doen dichtmaken.
ten 3" moest hij ons een afschrift bezorgen van de Koopakte van ons Kerkgebouw, den 2 Juny 1843 geparafeerd voor den toen te Makkum residerenden notaris Klaas Oosterhoff. en ten 4" zullen wij hem niet tot lidmaat kunnen aannemen tenzij hij door daden heeft bewezen dat hij een waar berouw heeft, en betoont hartelijk met de leer onzer Kerk verenigd te zijn".
Op 16 Mei kwam…....op de classicale vergadering maar is "aleer men over verzoening met hem, kwam te spreken, met een verkeerd gemoed vertrokken". De lidmaatsattestatie van zijn vrouw van de Leeuwarder kerkeraad werd wel aangenomen.
 
We laten even deze onverkwikkelijke geschiedenis voor wat hij is en bepalen ons bij iets heel anders. In de notulen van 27 juni 1866 lezen wijl "Nadien de Heer met Zijne oordelen op aarde is, die ook in ons vaderland en de stad onzer inwoning, (in ons midden kin­derpokken en cholera, en daarbij in Zuid- en Noord-Holland als ook in Utrecht de veepest) merkelijk gezien en ondervon­den worden, zoo wordt besloten om, tijdelijk, naast de Dings­dagavondsamenkomst, een dergelijk des Donderdags avonds ook in ons Kerkgebouw te houden".
 
Nog weer iets anders betreft het aantal leden van de kerk in die tijd. Een klein berekeningetje: Bij een stemming werden 17 briefjes ingeleverd. Hierbij staat vermeld dat er de helft meer inge­leverd zou kunnen worden. Dit wordt dus ongeveer 35. Tellen we hierbij ook 35 vrouwen en denken we er nog wat kinderen bij dan zullen er met elkaar ongeveer 100 à 120 leden ge­weest zijn. Leuk is het hierbij nog te vermelden, dat deze leden in een kerkkollekte ƒ 44,65 bij elkaar brachten, terwijl dit bedrag door giften nog werd verhoogd tot een som van ƒ 160,37
 
We keren nu terug naar de hiervoor beschreven hoog oplopende kwestie. Onze kerkeraad, is hoogst ontstemd over de handelwijs van de Provinciale vergadering. Deze werd verweten, dat ze onze kerkeraad had beschuldigd van dingen die kant nog wal raak­ten. Daarom schreven ze: "Eerwaarde broeders!, had de kerkeraad gedaan hetgeen die ver­gadering hem ten laste legt, hij was dan strafschuldig en zou niet aarzelen zijne schuld te erkennen; maar nu de kerkeraad …. niet heeft uitgeworpen, (hij was namelijk zelf uit de kerk gestapt) veel minder dat wederregtelijk heeft ge­daan, en de vergadering ook geen bewijs voor dat feit bij brengt, nu kan die bestraffing niet worden aangenomen".
De schrijver van de Provinciale vergadering, (die wegens fami­lieornstandigheden, niet eerder had kunnen schrijven) antwoord­de dat zij bij hun ouder standpunt bleven.
De kerkeraad besluit het dispuut tussen de Provinciale verga­dering en haar met de volgende woorden: “De kerkeraad is met het antwoord van P.V. in het geheel niet voldaan en besluit: hetzelve op deze bladzijde vast te hechten''.
Enkele maanden later wil de vrouw van de bewuste broeder al niet meer ter kerk komen.
''En daar de predikant noch br. vd Akker, niet gaarne haar wil­len bezoeken, om allen twist met..... voor te komen, zoo verzoekt de predikant br. Thomeé dat te willen doen, die daaraan zal trachten te voldoen". Zijn plan heeft hij ten uitvoer gebracht met het resultaat dat  vrouw ……verzoekt of de predikant en een broeder haar eens een bezoek kunnen brengen. Hieraan zal worden voldaan. Hiermee komt in de notulen een eind aan dit geval van “wederregtelijke beschuldigingen''.
 
Onze kerkeraad was het vaker niet eens met hogere instanties, want wij vonden het volgende van 5 december 1867:
"Is voorgelezen een adres aan de 2e Kamer der Staten Generaal, door de Classis van Amsterdam, aan de gemeenten gezonden, waar­in verzocht wordt: dat voortaan de leden der gemeente ontlast worden van bij te dragen in de belasting die geheven wordt voor de Kerkgenootschappen hier te lande, of, indien het statusquo desbetreffende blijft dat dan den leden onzer gemeente de daar­voor gestorte belasting worde gerestitueerd, op eene wijs als het het bevoegde gezag het raadzaamst oordelen zal. Na enige be­raadslaging is goedgevonden om het toegezonden gedrukte Exem­plaar "in te vullen en namens deze gemeente aan de 2e Kamer op te zenden".
 
 
Baptisme en nog iets
 
De kerkeraad vergadert in deze jaren (pl.m. 1868) niet erg vaak, maar als er vergaderd werd, dan gebeurde er ook wat; uit het onderstaande zal blij­ken hoe noodzakelijk de besprekingen waren. We geven u de verga­derdata van het jaar 1867: 31 januari; 21 april; 1 juni; 14 augustus; 15 oktober; 29 december. Bijna elke keer staat on­der aan de notulen: "wegens het vergevorderd uur", en dan werd de vergadering maar gesloten. Overigens worden de notu­len steeds korter.
 
Iets over het "Baptisme" in onze stad, vinden we voor het eerst in de notulen van 1 november 1866, waar het volgende vermeld staat:
"Nadien een'baptistische leeraar uit Franeker in deze stad een en ander maal in een herberg gepredikt heeft, en drie leden van de gemeente (éen persoon vooral) baptistische gevoelens aankleefden zoo hebben de predikant en ouderling Thomée deze broeders bezocht, hun het verkeerde van der baptisten, gevoelen aangewezen en de veruitziende gevolgen van hun ijveren voor het baptisme onder het oog gebragt".
Deze kwestie kwam weer aan de orde toen het bovengenoemde lid van de gemeente op
een visite geroddeld had over dominee Bosch; de hierbij aanwezige gasten trachtten hem tot andere gedach­ten te brengen maar dit lukte hen niet. Nu was de bewuste broe­der dan uitgenodigd om op een vergadering van de kerkeraad pre­cies uit te leggen wat voor bezwaren hij eigenlijk had. Twee punten kwamen aan de orde: "Hij lasterde de leraar" en "hij had bezwaren tegen de kinderdoop". Over het laatste werd niet eens gesproken, want de discussie over het eerste liep zo hoog, dat ''aangeklaagde" enkele malen uit de vergadering wilde weglopen. Hem werd n.l. het volgende verweten: "Het was wel bekend, dat hij in de regel niet gemakkelijk in de kerk zat; nadien hij niet wel verdragen kon, dat er in de prediking op hei­ligmaking werd aangedrongen en die prediking afkeurde, dat hij die afkeuring uitsprak en dat nog onlangs gedaan had op de dag des Heren over de namiddagpredikatie die eene dankzegging na het Avondmaal was, die hij niet eens had gehoord, waarover hij toen ook door eene vrouw berispt was".
Zelf wist bewuste broeder hier niets van af en meende daarom kwaad te moeten worden; hij eiste ook, dat zijn beschuldiger en getuigen bij een volgende kerkeraadsvergadering aanwezig zouden zijn.
Eén van de beschuldigers, Ds. Visser uit Medemblik schreef in een brief zijn beschuldiging als volgt:
1. dat hij riet meer met de Geloofsbelijdenis, formulieren en liturgie onzer Kerk verenigd was;
2. dat hij zijn wangevoelens openlijk uitsprak, verdedigde en alzoo trachtte voort te planten;
3. dat hij smadelijk van de leeraar en ouderling Thomée had ge­sproken.
 
Behalve het laatste punt werd alles toegegeven. Nu ging de ker­keraad proberen hem tot andere gedachten te brengen, maar ze kreeg alleen maar antwoorden als: "praat er maar niet langer over, gij weet hoe ik denk'"; "zoo "lang er vroomen irn de kerk zijn, ga ik er niet uit"; "smijt "er mij dan maar uit, dit is toch al lang uw toeleg geweest''.
De kerkeraad meende nu dat het haar plicht was deze broeder het Avondmaal te ontzeggen.
Was het hier maar bij gebleven maar broeder…….krijgt aanhangers, want de predikant vertelt dat hij op een huisbezoek, "onvergenoegdheid  over de regering dezer gemeente" had ontdekt, overigens was dit van een lid van onze gemeente waar het vol­gende van werd opgemerkt: "Die vele malen met de predikwijs van de leeraar niet vereenigd was, maar, daartoe verzocht zijnde, niet kon aanwijzen hoe: deze, moest prediken, en steeds van het Avondmaal bleef om de nietswaardigste redenen, bijvoorbeeld: "hij zeide, als hij zag dat er mannen aan het Avondmaal zaten, die twee of drie monden wijns namen, dan ergerde hem dat zeer, en daar hij zijn oogera, er niet kon afhouden, zoo bleef hij ook daarom maar weg van de Tafel".
 
Misschien houdt met het bovenste ook verband het feit, dat er tien leden van onze kerk boven de 20 jaar nog geen belijdenis hebben gedaan en het ook nog niet willen doen, enkelen willen zelfs niet eens met de predikant hierover spreken.
Op 17 mei 1868 werd er Avondmaal gevierd. De volgende zondag waren negen broeders en zusters, die mee Avondmaal hadden ge­vierd, niet in de kerk maar waren op de plaats waar de Baptis­ten vergaderden. In de kerkeraadsvergadering werd hier vanzelf­sprekend druk over gesproken en er werd besloten de bewuste ge­meenteleden op te zoeken en te vermanen. Volhardden ze in hun verkeerde weg dan zou hen het Avondmaal worden ontzegd.
 
Op de volgende kerkeraadsvergadering wordt gesproken over een vrouw die haar kind niet wilde laten dopen, maar door de           bap­tiste predikant heeft zij laten danken, voor de geboorte van haar kind.
 
Op de daarop volgende vergadering waren enkele ingekomen stukken te behandelen. Er zijn n.l. drie leden die schriftelijk hun lidmaatschap van de kerk opzeggen. Het kwam zelfs een poosje later zo ver, dat aan vijf gemeen­teleden het avondmaal werd ontzegd, omdat ze niet van hun baptistische neigingen waren af te brengen, de predikant en de ouderling, die deze mensen bezochten, hadden een zeer zwa­re taak, want door enkelen werden ze.zelfs uitgescholden en bijna de deur uitgezet.
 
Enkele leden zeggen weer schriftelijk hun lidmaatschap op en ook de kerkeraad. wil aan enkele gemeenteleden berichten, dat zij, niet meer bij de gemeente gerekend worden. Hierover zal echter eerst het advies van de classis gevraagd worden. Deze geeft de raad om de betrokken personen schriftelijk het lid­maatschap op te zeggen.
Hierbij beging de kerkeraad de vergissing ook een briefje te sturen aan een vrouw, die verdacht werd bij de baptiste-ge­meente te behoren, maar waarvan bleek dat zij niet in de kerk kwam, omdat ze ziek was. Haar man en andere familieleden hoor­den wel bij de baptiste gemeente, maar zij wilde zich niet hierbij aansluiten. "Zij voelde grote behoefte om met de gemeente des Heeren dood te verkondigen" . Vanzelfsprekend nam de kerkeraad de ontzegging van het Avond­maal terug.
 
Het. jaar 1870,waarmee we nu beginnen, brengt een nieuw, probleem n.l de woning van de kosterin zal haar opgezegd worden. Over wat er nu moet gebeuren, wordt lang gesproken en na zeer breed­voerig overleg, besluit men, dat er achter de kerk een woning met een catechiseerkamer zal worden gebouwd. Een paar maanden later heeft men het bestek met de geraamde kosten gereed. Hieruit blijkt, dat een timmerman uit de ge­meente voor ƒ 700,- alles wil doen. De kerkeraad besluit om hem het werk te gunnen, nadat met hem eerst een regeling is getroffen over het betalen van het verschuldigde bedrag:
ƒ 200,- zou in één keer betaald worden en de overblijvende ƒ 500,--, zouden met de rente in drie jaar worden afgelost. Om het bedrag van f 200,-- bij elkaar te krijgen, worden enke­le extra kollektes gehouden. Dit is de oorzaak, dat de aan­vraag om een kollekte te houden voor de bouw van een kerk in Hollum op Ameland en de aanvraag van een kollekte voor de The­ologische School in Kampen,worden afgewezen.
Men oordeelt als volgt: Uit het kerkeboek blijkt dat er een ba­tig saldo is van ƒ 30, en ook het diakonieboek spreekt van een soortgelijk bedrag, maar dit mag geen reden zijn om de ge­meente, die al vrij zwaar belast is door de eigen extra kollektes, nog meer te laten offeren.
Als. de kosterswoning en de catechiseerkamer op 3 okt.1870 ge­reed zijn, krijgt de kosterin-nieuwe instructies, die als volgt luiden: "Bij het verrigten der gewone werkzaamheden aan het "kosterschap verbonden moet zij:
1. de personele belasting van hare woning betalen, als zij betaald moet worden;
2. wanneer menschen haar om zitplaatsen vragen, die aanwijzen of doen bezitten, die waarvan zij weet, dat de huurders niet komen of onder de dienst niet gekomen zijn, zonder dat zij er eenige vergoeding voor vraagt.
3. geene warme stooven in de kerk plaatsen voor de godsdienst­oefeningen, ten einde die digt bij de hand te hebben, op een test; maar nu in hare kamer moet houden, en van daar rond­brengen" . Hiermee gaat de kosterin akkoord.
 
In deze vergadering, wordt ook besloten: “Nadien de nieuwjaars­dag op eene zondag is, zoo wordt bepaald, dat de verhuring der zitplaatsen op den tweeden Kerstdag des namiddags D. V. zal plaats vinden".
 
In de notulen van de volgende kerkeraadsvergadering vonden we de volgende aardige aantekening: “Daarna wordt over het voorzingen in de kerk gesproken en besloten, dat de beide ouderlingen met den broeder J. de Vries, daarover zullen spreken, en voor die malen, dat hij het niet doen kan J.H. Bosch te verzoeken het dan te willen verrigten".
 
In het eerste gedeelte van deze aflevering hebben we gespro­ken over afval in onze gemeente door baptistische invloeden, en we willen eindigen met te vermelden dat er in het jaar 1870 drie gezinnen, bestaande uit ieder drie leden, bij de kerkeraàd het verzoek indienden om ook bij de Christelijk Af­gescheiden Gereformeerde Gemeente van Workum te mogen behoren.
 
 
Op bergen en door dalen
 
In onze vorige aflevering maakten we er melding van, dat onze kerk er financieel niet ideaal voorstond. Hierin kwam gelukkig enige verbetering, doordat ouderling Dirk Moorhoff, die was overleden, bij testamentaire beschikking de diakonie onzer gemeente tot erfgenaam had gemaakt wat een bedrag van ƒ 240,-- betekende, een behoorlijke som in die tijd. Dat de diakonie dit geld best kan gebruiken, wordt ons duidelijk, als er op de kerkeraadsvergadering van 21 september 1871 wordt be­sloten “100 tonnen lange turf te koopen en onder vijf weduwen dezer gemeente te verdelen".
Ook op een andere manier trachtte onze kerk aan geldmiddelen te komen er werd namelijk een plan gemaakt tot het aangaan van een renteloze lening. Het besluit hierover luidde: "besloten wordt eene ren­telooze geldleening aan te gaan groot tweehonderd vijfenzes­tig gulden in aandelen van tien of twintig gulden een een van vijftien". En de vijf volgende jaren zullen de gelden terugge­geven worden aan de eigenaars van de aandelen. Om hiervoor weer voldoende geld bij elkaar te krijgen., zou er op de feestdagen Pasen Pinksteren, Kerst en nog een of tweemaal in het jaar, een kollekte in de kerk worden gehouden.
We gaan nu weer over van het materiële naar het meer geestelijke terrein. In de notulen van 26 oktober 1871 lezen we na­melijk het volgende: "Er wordt een verzoek namens eenige le­den, gesteund door den kerkeraad, der Hervormde gemeente voor­gelezen, om vrijheid voor predikanten onzer Kerk, die ze daar­toe met predikanten hunner kerk willen verzoeken, ten einde op woensdagen in dit seizoen in de groote Kerk te prediken. Na eenig spreken wordt besloten dat verzoek in te willigen, onder voorwaarde, dat de predikant dezer gemeente, de rei der pre­dikanten onzer kerk openen, of de eerste van hen is.". Dit begint dus veel te lijken op kanselruil, maar even later blijkt dit toch nog moeilijkheden op te leveren, want weer krijgt onze kerkeraad een brief van bovengenoemde Hervormde kerkeraad, op hun verzoek, om Ds. Bosch op een woensdag hier in de groote Kerk te laten prediken, geantwoord. Had:"dat er gelegenheid genoeg bestaat voor dengene die Ds­Bosch wenscht te hooren, daar zijn Wel Eerwaarde hier 's zon­dags driemaal voorgaat te dezer stede". Alleen wanneer de bepaling "dat de predikant dezer gemeente de rei der predi­kanten onzer kerk, opene, of de eerste van hen is" zou verval­len, dan ging alles wel door.
Onze kerkeraad besloot toen deze bepaling in te trekken, zodat "de regte prediking des Evangelies door predikanten onzer kerk, dan ook in de Hervormde Kerk hier kan plaats vinden". Het is niet helemaal onwaarschijnlijk dat verschillende le­den van onze kerk dit besluit verre van waardevol zagen, maar integendeel meer als een teken van verval. Ditzelfde kunnen we ons ook indenken van het volgende:
Tot nog toe was het in onze kerk nooit of zelden voorgekomen, dat iemand bedankte nadat hij als ouderling of diaken was ge­stemd. Onze kerkeraad bestond in die ja­ren uit de predikant, twee ouderlingen en twee diakenen. Bij de verkiezingen in december 1871 kwam men echter voor grote moeilijkheden te staan:
"Wordt der vergadering een brief voorgelezen waarin…..voor de candidatuur naar het diakenambt bedankt, niet wenschende verder in aanmerking te komen. Nadien …... mondeling hetzelfde gedaan heeft, als reden daarvoor opgevende zijn dienstbaar­heid, en...….verzocht heeft niet in aanmerking als ouderling te komen, ook al om zijn ongeschikt of dienstbaarheid; zoo wordt de vraag gedaan hoe in deze zaak te handelen? De bedenkingen of bezwaren van de beide laatstgenoemde broeders, waren niet ongegrond. De eerstgenoemde had wel geen reden voor zijn bedanken opgegeven; doch na spreken en weer spreken, met het oog op het eene en andere, oordeelt en besluit deze vergadering eenstemmig dat hetgeen in de voorgaande notulen was vastgesteld, namelijk dat er op 26 december gestemd zoude worden, in te trekken.
Op de vraag wat nu gedaan? Stelde de predikant voor, om ziende op den toestand waarin al de manslidmaten der gemeente zich be­vonden, die nauwkeurig een voor een was nagegaan, om, ziende op het laatste deel van art. 27 der Kerkorde van 1618 en 1619; niet voort te gaan, met het maken van een dubbeltal, daar alle andere broeders, wegens hunne personele huiselijke of maatschappelijke toestanden, nog minder in aanmerking konden komen, dan zij die op het dubbeltal geplaatst waren geweest. Na eenig spreken, keurden al de broeders dat voorstel goed, en namen op zich, om door Gods genade de gemeente te dienen, totdat betere omstandigheden het veroorloofden, om weder een dub­beltal der gemeente voor te stellen, ten einde daaruit een ou­derling en een diaken te kiezen. Tevens werd bepaald, der gemeente voor te stellen of liever mede te delen, dat, nadien de voorgestelde broeders verzocht hadden niet in aanmerking te komen, de verkiezing vooreerst is uitgesteld".
Uit dit alles blijkt wel, dat onze gemeente nog niet erg groot was. Overigens is het wel een klein beetje sneu voor die manslidmaten, die niet op een' dubbeltal waren geplaatst en die nu geen van allen ook in aanmerking kwamen volgens de ker­keraad om gekozen te worden. Dat het overigens wel een zware en vermoeiende taak kan zijn, blijkt wel uit het volgende punt uit de notulen van 29 mei 1871:
"Br. Schotsman ongesteld zijnde verlangt heen te gaan, en daar er ook geen dringende zaken meer te behandelen zijn, zoo wordt de vergadering met een gebed en dankzegging gesloten door den predikant".
De kerkeraad had het in deze tijd ook, evenals tot nu toe eigenlijk steeds het geval was, behoorlijk druk met onwillige gemeenteleden, meestal omdat ze niet geregeld genoeg "onder des predikants gehoor kwamen". Dit waren over het algemeen maar geringe zaken, maar ze werden ook wel eens groter, zij het dan ook door een geringe oorzaak, wat viel uit het volgende blijkt:
"De broeders Bosch en Thomée zijn naar de Classicale vergade­ring geweest, daar kerkvisitatores benoemd werden, die den 1 Augustus in deze gemeente zouden komen, en op dien avond zou broeder B. de Jong voor de gemeente optreden. Dat maakten genoemde broeders den kerkeraad op den 30 Juli bekend. Toen de diaken…... dat hoorde, zeide hij :’op die dag moet ik met de koeien in het veld'. Toen hem gezegd werd dat de prediking en visitatie des avonds eerst plaats vond, antwoordde hij: ‘dan moet ik boodschap loopen’. Was met onderling overleg bepaald, dat de prediking om zes uur zou aanvangen, nu stelde de pre­dikant voor om de visitatie ten 8 uur aan te vangen. Br. Schots­man had het liever om vijf uur, en daar niemand hier tegen be­denkingen maakte, werd zij op vijf uur bepaald. Die dag en dat uur brak aan doch de diaken kwam niet. Den daarop volgende Donderdag na den bedestond, zeide br. Boorsma dat Sjoerd (de diaken) niet gesteld was over de bepaling dat op dinsdag en wel om 5 uur kerkvisitatie moest plaats hebben, want, dan kon hij er niet bij zijn. Men meende dat die gesteld­heid van…... voorbijgaande was. Doch des zondags daarop kwam genoemde broeder niet ter kerk, hoewel hij gezond was, en toen de kerkeraad hoorde, dat hij gezegd had "zijn ambt als diaken neer te leggen", vaardigde die de broeders Bosch en Schotsman naar hem af', om onderzoek naar het eene en andere te doen". Kortom, men ging naar hem toe en de persoon in kwestie gaf als reden van zijn plan om het ambt neer te leggen: "dat de Dins­dag en bovengenoemd uur, ter Kerkvisitatie was bepaald, opdat hij er niet tegenwoordig zou kunnen zijn". Opzettelijk had de kerkeraad volgens 'hem dus die dag en dat uur voor- de visitatie uitgekozen, omdat ze hem er niet bij wilden hebben!
Wat de beide broeders nu ook zeiden, het gaf allemaal niets. Wel zou hij nog ter kerke, komen, "omdat hij op den persoon en de leer des predikants.niets tegen had, en op den laatsten zon­dag met veel genoegen ter Kerke was geweest". "Tot leedwezen van de kerkeraad vernam men nu, dat deze persoon de oorzaak was van vele lasterlijke gesprekken, omtrent den predikant en ker­keraad aangaande de diakoniepenning en des predikants bezoldi­ging". Men besluit echter zich voorlopig nog maar niet teveel van deze praatjes aan te trekken. Na een poosje, kwam genoemde broeder ook niet meer ter kerk en zijn vrouw zei dat het om dezelfde redenen was als die waarom hij zijn ambt neergelegd had. Heel handig en scherp antwoordde Ds. Bosch toen, dat het dan de roeping van haar man was nu de predikant en de kerkeraad dwaalden, "door liefde gedrongen, de hulp der Classis tegen den Kerkeraad in te roepen”. Zij antwoordde toen weer: "daar heeft ouderling Thomée Sjoerd ook op gewezen; maar Sjoerd zegt: dat helpt niet, want er is werkelijke verslapping en achteruit­gang bij de Afgescheidenen, en ik sta of ben maar alleen".
Toen de predikant later nog eens kwam, was Sjoerd wel thuis en die ontmoeting wordt in het notulenboek zo beschreven: "Toen de predikant bij hem aan het woord kwam, en aanwees hoe­zeer hij dwaalde, werden zijne hartstogten in die mate gaande, dat zijne vrouw hem vermaande tot bedaardheid. Desniettegen­staande ging hij voort in zijne ruwe behandeling. Eindelijk gebood hij den leeraar te zwijgen, en zoo niet, dan zou hij hem de deur uitjagen. Hij erkende hem niet meer voor zijn leeraar, wilde niet meer ter kerk komen en toen de predikant hem bij het afscheid de hand aanbood; wilde hij die niet aannemen. Na zijn vrouw en schoonvader de hand te hebben gegeven, bood de lee­raar hem die weder aan, die hij nu zoo wat aannam, doch met de verklaring niet als broedershand.­ Genoemde bezigde ook zeer beleedigende uitdrukkingen jegens onze kerk".
Gemakkelijk had de kerkeraad het dus niet en het verwondert ons dan ook helemaal niet, dat men op 21 september afspreekt om over 8 dagen weer bij elkaar te komen. Het duurt echter tot 28 oktober voor men weer vergadert.
Overigens zegt dit ook weer niet zoveel, want toen men in 1873 van 16 juli tot 16 okt. niet had vergaderd, schreef men hierover in de notulen: "Hoewel in eenen geruimen tijd geen kerkeraadsvergadering is gehouden, waren de belangen der gemeente toch behartigd, en ter gelegener tijd met elkander besproken".
In deze aflevering schreven we, dat onze gemeente niet zoveel leden telde, maar als sluit~ stukkunnen we nog, vermelden dat er op 5 maart1872 elf belijdende leden bij kwamen, terwijl er 3 kinderen door de H.D.aan de gemeente werden toegevoegd.         
 
 
Aan een zijden draadje
 
Op 2 januari 1874, krijgt onze kerkeraad een brief met de vol­gende inhoud:
"Aangezien we nu 3 achtereenvolgende jaren bij het verhuren der zitplaatsen voor mijne vrouw gedwarsboomd zijn door U.E. Zoon Jan en, dit gevoegd bij vele andere grieven die ik heb, geven mij redenen te over en is dienende deze tot opzegging van mijne gemeenschap met de gemeente van Workum. Het aanblijven mijner vrouw zal afhangen tw. dat de huur over gemiddelde waarde de door haar bezeten stoel worde afge­staan. Welke bedoelingen en voordelen de.gemeente heeft van zulke onedele middelen laat ik aan u bescheiden oordeel over. Tegen vrije concurrentie kan men zich wapenen niet tegen licht­schuwe intriges zoo als hier plaats vinden".
Op de kerkeraadsvergadering waarop deze brief werd besproken, bleek dat alles alleen maar vast zat op 75 cent. De briefschrij­ver wilde namelijk niet 75 cent betalen voor een plaats die hij voor zijn vrouw begeerde en zei toen: tegen andere mensen, dat het hem leed deed, dat hij geen plaats had kunnen vinden. Het leek de kerkeraad daarom het beste,
maar helemaal niet te rea­geren op deze brief. Dat waren echter vurige kolen op het hoofd van onze briefschrijver, want op 2 februari verscheen de vol­gende brief:
"Naar aanleiding van en de mij bekend geworden geruchten hebt ge mijn schrijven van de 2e januari j.l. in dien zin opgevat, dat ik buiten de gemeenschap der Chr. Geref. Kerk heb geplaatst. Zoo is deze dienende u van het tegendeel te doen blijken, wel heb ik mijne gemeenschap met de gemeente van Workum opgezegd die in hare abnormale toestand zich toch niet zal verbeelden de Kerk te zijn".
Op deze manier gaat deze op de tenen getrapte broeder nog een poosje verder en hij besluit ermee, dat hij "Alvorens meer pu­bliciteit aan deze handelwijze te geven eerst het intermediair der hoofdleiders onzer Kerk inroepen zal en naar hunne rappor­ten mij gedragen”.
Weer besluit onze kerkeraad niet op deze brief te antwoorden, omdat …... en zijn vrouw onze gemeenschap hebben verlaten". Het mooie van de zaak is echter, dat de vrouw weer een stoel, ge­huurd heeft en weer geregeld de openbare godsdienstoefeningen bezoekt!
 
In dezelfde vergadering, waarin bovenstaande brief werd bespro­ken, lezen we ook het volgende: "De.predikant stelt voor, om op 12 mei e.k. het zilveren kroningsfeest des Konings, des voor­middags een dank en bidstond te houden, en bij het uitgaan der Kerk eene inzameling van feestgaven, tot aflossing der gemeente schuld".
Dat deze vergadering wel een belangrijke blijkt te zijn, kun­nen we wel opmaken uit het feit dat ook bekend wordt gemaakt, dat Ds Bosch een beroep naar Wapenvelde heeft gekregen. De kerkeraad bespreekt dan het voor en tegen van het heengaan van de predikant en komt dan tot de slotsom, dat ze "mocht het de Heere behagen" toch wel wensten, dat de predikant bleef.
Op de volgende vergadering op 8 mei van datzelfde jaar maakt de pre­dikant echter bekend, dat hij het beroep heeft aangenomen. Daarom zou er nu maar een ekstra ouderling bij moeten komen. In de notulen blijkt helemaal niet, dat het de kerkeraad speet dat hun dominee nu wegging, maar uit wat we even verder in het natulenboek lezen, blijkt dit wel. Gewoon tussen de verslagen van de verschillende vergaderingen staat namelijk een heel stuk over deze kwestie. We nemen hieruit een paar ge­deelten over:
"De ouderlingen en diakenen der Gemeente meenden steeds, dat de leraar met de aanneming der roeping van de gemeente Wapenvelde te haastig was geweest, en erkenden zich niet zoo ijverig te hebben gedragen als hun betaamde, om de leeraar te overreden, dat hij niet wel gaan kon. Zij hadden gedacht; de leeraar kan en zal dat beroep niet aannemen, om redens zijne huisgenoten er zeer tegen zijn, omdat het een meer afgelegen dorp, in eenen stad, dat voor zijn persoon die al over de vijftig is, wenschelijker is dan veel en ver loopen en omdat het tracte­ment te Wapenvelde belooft ƒ 500,- in geld, en omstreeks ƒ 130,- in spek, rogge,enz.zou bestaan".
De broeders waren niet zo best over zichzelf en de hele gemeente te spreken: ''Dit alles deed een laauwheid.aanwezig zijn, die zeer ongun­stig afstak  bij de ijver door de Wapenvelders betoond. Uit die laauwheid meende de predikant te moeten besluiten, de roe­ping aan te nemen. Doch naauwelijks was de brief uit de stad op reis naar W, of de Kerkeraad en onderscheidenen leeden legden hunne laauwheid af, betreurden die, en wilden nog doen, dat zij bij de predikant hadden moeten doen, vooral nadien in de Hervormde Kerk de oudste der leraren zijn emeritaat tegen den 1 Juli aanst. had aangevraagd." En omdat men. verwachtte, dat de Hervormde Kerk eerder weer een nieuwe predikant zou hebben dan wij, vroegen zij de predikant, of het niet mogelijk was, dat onze kerkeraad aan die van Wapenveld vroeg "om de aanneming dier roeping als niet gedaan te willen aanmerken". Ds. v. d. Bosch zei toen, dat hij onze kerkeraad ook niet kon verhinderen toch bovengenoemd verzoek bij de kerkeraad te W. te doen en als zij het verzoek dan zouden willen inwilligen hij hier zou blijven. De kerkeraad' stuurde toen het verzoek naar Wapenveld en men kreeg als antwoord: "de aanneming als eene bedanking te zullen aanmerken".
 
Ds. Bosch bleef dus, maar hier waren verschillende gemeenteleden het niet mee eens en zij schreven een brief aan de kerkeraad. Om dit alles zo eerlijk mogelijk te bekijken, kwam er nu een classicale commissie op de vergadering van de kerkeraad. Aller­eerst werd nu bekeken, wie de briefschrijvers waren en dit ble­ken volgens de kerkeraad en de classicale commissie allemaal mensen te zijn die helemaal geen recht tot spreken hadden, omdat ze, óf geen belijdend lid waren, óf omdat ze geschorst waren, óf omdat ze zichzelf uit de gemeente hadden teruggetrokken, zoals de broeder die dat vanwege de zitplaatsenaffaire had gedaan. DLaarom werd de zaak nu als afgedaan beschouwd en a.s. zondag zou er van de kansel worden afgelezen, dat het verzoek van onze kerkeraad aan die van Wapenvelde zonder dwang door haar was aangenomen, terwijl men bij de protesterende leden zou rond gaan om hen duidelijk te maken, dat zij alzoo, naar hunne mening, hebben moeten handelen, om het heil der gemeente te zoe­ken, en dat in opregtheid te hebben gedaan".
Op de volgende vergadering verklaren de broeders die naar de protesterende leden zouden gaan, dat "lettende op de gisting onder hen nu aan de gemeente j.l. zondag, d.i. gisteren, boven­staande is bekend gemaakt en in aanmerking nemende de tijdelij­ke omstandigheden van sommigen van hen, die in deze dagen moei­lijk in huis zijn aan te treffen, om met hen bedaard te spreken; en oplopendheid van anderen; zoo wordt goed gevonden, aan de ze­ven broeders een schriftelijk antwoord te zenden".
Ook over Sjoerd (zie vorige gedeelte) werd nog gesproken, om­dat men nog een paar keer bij hem was geweest "om hem in zachtmoedigheid van zijne verkeerdheden te overtuigen. Doch tever­geefs. Nu wilde hij, dat de predik. daarover zweeg of de deur
uitging, dan verklaarde hij dat de predikant een spotter was met de waarheid, die hij wel sprak, maar niet beleefde; en voor de laatste maal zeide hij, dat hij de predikant de hand gaf, maar niet als leeraar, maar als particulier." Bovendien zei hij bij dat laatste bezoek, dat men nu wel van de kansel kon aflezen, dat hij niet meer tot de gemeente wilde behoren, daarom werd dit op de volgende zondag ook maar gedaan.
 
Gemeenteleden werden zo nu en dan eens op de vingers getikt, zoals een broeder die op zondag melk ver­kocht: “Met toestemming van den leeraar had...... de 100ste maal: met de gemeente des Heeren dood verkondigd. Over hem werd nu gespro­ken, en besloten, om dat nu, zoo, zonder eerst met de Kerkeraad te hebben gesproken, niet meer toe te laten".
 
Dat men ook nog steeds erg precies was met het aannemen van nieuwe lidmaten, bewijst dit artikel uit de eerste notulen van het jaar 1875 wel: "Er werden eenige gesprekken gevoerd over een meid die lidmaat der gemeente wenschte te worden. Zij kwam in ons midden en sprak, of wij spraken met haar, en raadden haar daarna, om lie­ver zich nog wat te laten onderwijzen, voor en aleer zij belijdenis des geloofs deed".
Zij was gelukkig niet de enige die belijdenis in onze kerk wilde doen, want op 9 april van datzelfde jaar kwamen er weer 4 bij en op 1 maart van het volgende jaar deden ook weer 5 mensen belijdenis in onze kerk. Jammer ge­noeg betekende dit niet, dat de gemeente daardoor alleen maar groter werd, want in oktober 1875 werd er van de kansel afgele­zen dat er maar even 12 leden niet meer tot onze gemeente gere­kend werden. Voordat men echter tot dit laatste overgegaan was, was er al heel wat aan voorafgegaan. Verscheidene malen waren de kerkeraadsleden al naar deze "dwarse” mensen, toe geweest om hun op hun verkeerde handelwijze opmerkzaam te maken. Dit ging echter níet altijd even gemakkelijk, want het gebeurde ook ver­schillende keren, dat de ouderlingen gewoon de deur uitgezet werden, dit, terwijl dan een woordenvloed van een niet al te mooi gehalte over hun werd uitgestort. Het gebeurde ook wel eens, dat de mensen zeiden, als er een ouderling op bezoek kwam, dat ze juist de stad in zouden gaan om boodschappen te doen, met andere woorden, de afgevaardigde van de kerkeraadr kon wel weer verdwijnen, omdat men toch weigerde hem te ontvangen.
 
Al met al, bestond het werk van de kerkeraad voor het grootste gedeelte uit het behandelen van tuchtgevallen, wat tot nu, toe, zo lang de Chr. Afgesch. gemeente van Workum bestond, eigenlijk altijd al zo geweest was. Bij de meeste gevallen was het zo
dat er vermaand moest worden, omdat een broeder of zuster niet geregeld in de kerk kwam, dat wil zeggen bij ons in de kerk, want in de jaren ‘75 en ‘76 was de Hervormde Kerk hier als het ware een geduchte concurrent van de onze. Dat kwam vooral omdat men daar pas een nieuwe predikant had gekregen, die nogal wat mensen trok.
 
We willen dit gedeelte besluiten met een iets prettiger bericht: In de notulen van 24 november 1875 lezen we name­lijk dat er o. a. nog werd gesproken over "jongeling en jongedochters vereenigingen, die in de Gemeente weer begonnen of opgericht waren.”
 
 
Binnenkerks gerommel
 
Eerst enkele korte opmerkingen, die voor zichzelf spreken:
-Er wordt op een kerkeraadsvergadering aan een ouderling opgedragen, "de kosterin er opmerkzaam op te maken, dat de Catechiseerkamer geheel en al voor het gebruik van de Gemeente is". De kosterin had misschien niet veel (woon)ruimte.
-En dan het volgende besluit: "Jacob de Vries komt inde vergadering, en verzoekt om in ge­val hij op den 12 dezer nog geen woning heeft, en met zijne .huishouding niet op straat kan blijven, dan voorlopig in de Catechiseerkamer te mogen trekken. Na zijn vertrek wordt over dat verzoek veel gesproken, en eindelijk, met veel bezwaar toe­stemming verleend, voor hoogstens vier weken. Dezelfde ouderling die toch al naar de kosterin moest, moest haar dit er maar even bij vertellen!
-In 1876 wordt er een pad van de pastorie naar de droge Dolte gekocht.
- "Op het verzoek bij te dragen om de, vaders onzer Kerk, Van Vel­zen en Brummelkamp, een geschenk ter gedachtenis hunner 48 ja­rigen arbeid in haar midden aan te bieden, besloot de kerkeraad ƒ 2,50 daartoe over te zenden aan de Commissie voor dat ge­schenk."
-In 1876 toen de banken in het kerkgebouw waren ge­verfd en de rekening kwam, werd er opgemerkt, dat verscheidene gemeenteleden verwacht hadden, dat de kleur van de banken veel lichter zou worden, maar men zou de rekening toch maar betalen.
-Elk jaar weer opnieuw richtte men tot de gemeenteraad het ver­zoek "ter afschaffing van de kermis", die ook nu weer binnenkort zou worden gehouden. Hoewel men bij voorbaat dus eigenlijk wel de uitslag van het verzoek wist richtte man het toch weer op voorstel van de predikant, tot de gemeenteraad. Echter weer kreeg men nul op het request.
-In de notulen van 26 februari 1878 lezen we voor ‘t eerst dat het verbindingsformulier door de pas benoemde ambtsdrager wordt ondertekend.
 
Vreemde dingen gebeurden er soms in onze gemeente. Zo kwam er bijvoorbeeld iemand uit de gemeente van Beetgum naar ons over, die volgens de kerkeraad daar nog geen belijdenis had gedaan. Hoe verwonderd keek onze kerkeraad echter bij het eerst­volgende Avondmaal op, want ons nieuwe lid. ging toen zomaar aan tafel. Hij werd toen ter verantwoording geroepen, maar hij bleef hardnekkig volhouden, dat hij wel degelijk belijdenis had gedaan, zij het dan niet in Beetgum zelf, maar in Arum. Wie moest men nu geloven? Een langdurige discussie volgde, waarop men einde­lijk besloot: "dat, nadien' hij door zijn komen ten Avondmaal al belijdenis heeft gedaan; hij een man is van 40 á 50 jaren, en niet ter catechisatie kan komen in Workum, ook onbesproken van gedrag is, geen verder onderzoek naar dat misverstand te doen, maar de zaak zoo te laten en hem als een lid door belijdenis aantemerken''.
Uit hetzelfde kerkeraadsverslag nemen we ook het volgende over: "Wegens geschikt personeel, kon er niet eerder­ eene zoogenaamde Zondagschool worden opgerichte. Zij is begon­nen en hier bepaald, dat de penningen daar verzameld in eene busch, in, of door, of namens den kerkeraad, zullen geteld wor­den, dat de Kerkelijke penningmeester de sleutel dier busch zal bewaren; dat de Kerkeraad het toezicht op die school en hare ­onderwijzers zal hebben; dat hij zorgen zal voor hare behoeften, en het doel der school is, om vooral zulke kinderen haar te doen bezoeken, die anders niet onder de waarheid komen".
 
Er wordt mededeling gedaan, dat er op 28 april 1878 een gemeente in Makkum zal worden gesticht, waar een afvaardiging van on­ze kerkeraad heen zal. Dat er zo langzamerhand een bloeiend ver­enigingswerk in Workum ontstond, blijkt naast het bericht over de Zondagsschool ook hier wel uit, dat de "jongedochters ver­eeniging” en de zangvereniging beide om het gebruik van het kerkgebouw vroegen bij haar buitengewone vergaderingen en de repetities. Beide verzoeken worden toegestaan onder voorwaarde, dat de kerk weer afgeleverd zou worden zoals men had gekregen. De predikant komt in begin 1880 met het voorstel het kerkge­bouw en de pastorie tegen brandschade te verzekeren, maar na­dat men er lang over heeft gesproken wordt er besloten, hier­over nog niet te beslissen, maar er nog eens goed over na te denken, om er dan later nog eens op terug te komen. Hoe de pre­dikant ineens op dit idee kwam weten we niet, maar het zou misschien te maken kunnen hebben met wat we even verder lezen namelijk dat er over gesproken wordt, dat de kachel de laatste zondagen nog al wat rookte!
 
Nog een keer komt de Jongelingsvereniging ter sprake, en wel omdat een afvaardiging van haar met een klacht op een kerke­raadsvergadering kwam. Ze hadden n.l. "onaangenaamheden met de koster ondervonden, gedurende de vergaderingen" en wilden daar­om nu wel eens precies weten op welke uren de vereniging van de catechiseerkamer gebruik kon maken. De kerkeraad maakte hun er nu echter opmerkzaam op, dat ze zich niet meer hielden aan het een of andere artikel uit hun reglement. Bovendien wilden ze zich niet meer onder het opzicht van de kerkerraad stellen, “en evenmin van de leer van de kerk”. Daarom werd. hun, zolang hierin niet verandering kwam de toegang tot de catechiseerkamer ontzegd. In de brief, waarin dit besluit aan de vereniging werd meegedeeld, stond o.a. ook het volgende: "Dat Gij zoo handelende en willende handelen, nog aan eenen Gereformeerden Kerkeraad, om de Catechiseerkamer, voor uwe vergaderingen ver­zoekt, schrijven wij aan. uwe jeugdige onbedachtzaamheid. Immers, bij een weinig denken, zou het u, - althans eenigen uwer - ver­trouwen wij, toch duidelijk zijn geworden, dat een zoodanige Kerkeraad aan eene inwilliging van uw verzoek, niet zou mogen denken; en, nog minder dat hij het gebruik dier kamer, naar uw verlangen, zou kunnen toestaan. Ons dunkt, Gij zult ons dan ook moeten toestemmen, dat wij als Geref. Kerkeraad omtrent u, als "Vereeniging" die zich op een ongereformeerd standpunt heeft geplaatst, niet anders kan handelen, niet anders mag doen".
Als antwoord hierop stuurt de jongelingsvereniging even later een nieuw reglement aan de kerkeraad, dat echter door haar, wordt afgekeurd. Daarom zou dominee nu maar een nieuw re­glement maken. Maar daarover was men niet zo tevreden want nadat de jongelingsvereniging het nieuwe voorstel van dominee had ontvangen, maakte zij er ook weer een nieuw. Dit werd toen gelukkig goedgekeurd door de kerkeraad, onder voorwaarde, dat ieder lid van de vereniging het zou ondertekenen. Weer enige weken later schrijft de vere­niging aan de kerkeraad dat ze een erevoorzitter heeft be­noemd, waarop de kerkeraad weer antwoordt, nadat eerst nog eens het hele reglement was doorgenomen, dat er daarin alleen maar over een voorzitter en niet over een erevoorzitter wordt gesproken.
Op deze brief reageerde de jongelingsvereniging helemaal niet, wel kwam er een briefje van de sekretaris, waarin deze doodleuk schreef: "De Chr. Jong.­Ver. Geloof, Hoop en Liefde te Workum verzoekt vrijheid tot het gebruik der Consistorie Kamer, iedere Zondagavond van 7.30uur tot 10 uur, voor gewone en 20 werkdagen in het jaar voor huis­houdelijke vergaderingen, terwijl de Ver. de noodige verwar­ming en verlichting hierbij gedingt biedt zij U een jaarlijk­sche schadeloosstelling van ƒ 25,- daarvoor aan”. De kerkeraad schrijft nu weer terug, dat de vereniging binnen een week schriftelijk moet beloven zich aan het reglement te houden, daar er anders andere maatregelen zullen worden genomen. Op het laatste schrijven van de sekretaris zal niet worden geantwoord. De J.V. zegt daarop, dat ze dit niet kan beloven, om­dat ze nooit het reglement van de kerkeraad heeft ondertekend, daar "de ondervinding de J.V.. heeft geleerd, dat veele wetten en gebondenheden haar het bestaan bijna onmogelijk maken".
Het opvallende is echter, dat het bestuur van de J.V. het regle­ment wel heeft goedgekeurd en ondertekend, wat blijkt uit het eerste gedrukte exemplaar hiervan dat in het notulenboek ligt!
Het is wel interessant een paar artikelen hieruit over te nemen:
"Art, 1., De Vereeniging beoogt Gods eer en 't heil harer Leden. De Bijbel, verklaard naar de Gereformeer­de Belijdenis, is haar regel en richtsnoer.
Art. 2. Elken Zon­dagavond 'van 7.30 tot 9.30 uur houden hare leden een gewone verga­dering. Deze moeten leerend en stichtend zijn.
Art. 7. Begunsti­gers steunen de Vereeniging met woord en daad; zij mogen de vergaderingen bijwonen en ontvangen afschriften van gearresteerde reglementen en besluiten, jaarlijks een verslag van den toestand der Vereeniging en schriftelijke kennis van benoeming van bestuursleden.
Art 9. Er zijn candidaatleden, knapen van 14 tot 17 jaar, en gewone leden, jongelingen van 17 tot 50 jaar; de laatsten alleen hebben stemrecht.
Art. 14. Begunstigers betalen ‘s-jaarlijks minstens 50 ct. contributie. De leden betalen we­kelijks 7 cent. Toehoorders ter vergadering betalen 5 cent". Bovendien wordt er nog gesproken over verschillende boetes: verzuimde men om onwettige redenen de vergadering, dan werd men ge­straft met 5 cent boete; en meer dan 5 minuten te laat dan kost­te dit 3 cent. In die tijd bestond de vereniging uit ongeveer 20 leden terwijl er zo’n 45 begunstigers waren.
Gelukkig, wordt, ten­minste voorzover we uit het notulenboek kunnen opmaken, de vrede getekend tussen de kerkeraad en de J.V., want op een verzoek van de J.V. het kerkgebouw te mogen gebruiken voor haar jaarvergade­ring, wordt. toestemmend door de kerkeraad geantwoord, zij het dan ook na lang praten!
 
Na er ongeveer twee jaar over gedacht te hebben begon men eind 1882 eindelijk weer eens te praten over het voorstel van de predikant het kerkgebouw en de pastorie tegen brandschade te verzekeren "door verandering en onverschilligheid van buren, in de latere tijden. Bij de eene was het niet lang ge­leden, een begin van brand, en later werd brand voorkomen, door verplaatsing van, een hooimijt". Er werd nu echter langdurig over gesproken of, het een Christen wel was geoorloofd, "om in eene assurantiemaatschappij zijn goed te assureren". Tenslotte werd er besloten, dat het kerkgebouw, de kosterswoning en de Ca­techiseerkamer tegen brand te verzekeren.
 
We eindigen deze keer met het volgende citaat: “Op Dinsdag 9 Aug. 1881 zou er kerkeraadsvergadering zijn. Op den bepaalden tijd waren do predikant en de diaken van der Wal met Boorsma aanwezig. Wegens den geweldigen wind en zwa­ren aanhoudenden regen waren Sikkes en Feenstra afwezig. Alzoo is er geen Kerkeraad gehouden, maar hebben de aanwezigen over het een en ander samen gesproken”.
 
 
Van oud en nieuw
 
Nog altijd bestond onze gemeente niet uit allemaal brave broe­ders en zusters. Iemand schreef de kerkeraad: "Daar ik door gerugt had gehoord dat…… lid der C.G.Gem. alhier zich heeft schuldig gemaakt aan smokke­len, waarom hij is geboet, en in London zich heeft schuldig gemaakt aan dronkenschap, en tegen schipper……wou vegten” Bovendien zou de bewuste persoon op Zeeburg een andere visser ook nog dronken hebben gemaakt.
De kerkeraad ging dit onderzoeken en besloot de briefschrijver te antwoorden dat hij niet te vlug met zijn beschuldigingen moet klaar staan, maar eerst maar eens goed moet nagaan wat er precies van waar is.
Er komen overigens ook wel eens prettiger mededelingen ter kerke­raadstafel, zoals die, waarbij de predikant vertelt dat hij "van iemand die zijn naam niet wenschte te noemen" een bedrag van ƒ 300,-- voor de kerk had gekregen­.
 
Het volgende is ook de moeite waard u te vertellen: Er kwam een verzoek van een familie van onze gemeente binnen over "een 28 jarig jongeling, lijdende aan doofheid en wat stomp van oordeel, van beroep pannenmaker, wiens ouders leden onzer gemeente zijn geweest; doch overleden. Die jongeling geen werk hebbende, ontvangt van de algemeene armen wekelijksch ƒ 2,50. De familie verzoekt nu van de kerkeraad eene wekelijk­sche bijdrage van ƒ1,50, nadien de jongeling wekelijksch vier gulden , zeggen zij, nodig heeft''.
Over dit geval wordt door de kerkeraad lang en breed gesproken, vooral omdat de jongeling van 28 jaar nog niet is gedoopt en nog geen belijdenis des ge loofs heeft afgelegd. Ten slotte stelt de kerkeraad zich de volgende vragen. "Kan een 28 jarig mensch, die geen blijk heeft gegeven Belijdenis des geloofs in onze Kerk te willen. afleggen, en het ook niet gedaan heeft, op dien leeftijd be­schouwd worden, als tot onze Kerk te behooren, omdat zijn ouders het waren? En aller oordeel was: neen. Men vroeg verder: maar moet.hier geen uitzondering gemaakt worden wegens zij­ne doofheid, en wegens zijn bekrompen oordeel? Had hij die ge­breken niet, dan was hij waarschijnlijk lid der Gemeente ge­weest door Belijdenis? Waarop geantwoord werd, had hij die ge­breken niet, dan had hij evenzeer waarschijnlijk geen Belijde­nis gedaan".
De kerkeraad besluit daarom, niet. op dit verzoek in te gaan, want dan zou alle tucht in de gemeente "gekrenkt" zijn en bo­vendien dan zouden er wel veel meer zijn die in aanmerking wilden komen voor een bijdrage van de kerk.
 
We mogen niet aannemen dat de predikant meedeed aan een loterij. Dat hoorde niet thuis in de kerk. Maar we ontdekten in het notulenboek van de kerkeraad dat de kopie voor een brief' aan een gemeentelid geschreven was achterop een briefje van de “Nieuwste Hamburger Geldloterij”.
 
Van Rooms-Katholieken moest men in die tijd waarschijnlijk nog weinig hebben, we lezen het volgende in een verslag uit 1884: “Wordt na eenig spreken goedgevonden, om moeilijkheden met eenen Roomschgezinden buurman voortekomen, over een scheidingsstek ten Zuidwesten van de Kerk, de helft van dat stek voor onze rekening te nemen. Doch vooraf moet die man eene overeenkomst, des aangaande ondertekenen".
 
In begin 1885 komt er een einde aan het leven van onze predi­kant, Ds. Bosch, die dus vele jaren in onze gemeente heeft gestaan en er in die tijd ook heel veel werk heeft gedaan. In de notulen wordt er over dit overlijden helemaal niets ge­zegd, behalve dan, dat men er over heeft gesproken "van welk tijdstip af de uitbetaling van de drie maanden traktement aan de weduwe van de overleden Leeraar moet gerekend worden" en ­even later lezen we dat men het erover heeft dat, voordat er een nieuwe predikant is, er geen verkiezingen van nieuwe ambts­dragers meer zal zijn. Wel hadden we al een paar keer gelezen dat Ds. Bosch niet op de kerkeraadsvergadering was, omdat hij ziek was, maar verder werd er ook niets over het verloop van de ziekte gezegd en stond er bijvoorbeeld ook nooit eens bij dat er voor de predikant gebeden werd.
Als gevolg van dit overlijden moesten de notulen, die tot nu toe steeds door dominee waren gemaakt en die aan volledigheid weinig of niets te wensen overlieten, ook door een ander ker­keraadslid worden gemaakt, wat tot gevolg had dat ze veel be­knopter en daardoor misschien ook minder volledig werden. Zo beginnen de meeste artikelen in de kerkeraadsverslagen slechts met: "Besloten werd...." wat dus inhoudt dat er over de be­spreking die aan zo'n besluit voorafging niets meer staat ver­meld, wat ds. Bosch altijd wel had gedaan. ­Na eerst tevergeefs een beroep te hebben gedaan op een zekere Ds. Breukelaar, neemt de daarna beroepen Ds,. Kapteyn van Hijum dit beroep naar Workum aan en in de kerkeraadsvergadering van 5 augustus 1885 moet er worden besloten, wie van de vijf schippers die zich daarvoor hebben aangeboden, het huisraad van Ds. Kapteyn op zal halen. Nadat men eerst over de "ge­schiktheid." van al deze schippers lang en breed heeft gesproken, kan er tenslotte een. worden aangewezen. Een verhuiswagen kwam er toen dus nog niet aan te pas. Op 6 september wordt onze nieuwe predikant door zijn vader, Ds. P. Kapteyn van Amstelveen bevestigd.
 
Dat de vrouwen en de mannen in onze kerk toen nog gescheiden zaten, menen we uit het volgende op te mogen maken: "Door ge­brek aan vrouwenzitplaatsen in de kerk, is besloten en aan Br. v.d. Wal opgedragen, 6 nieuwe stoelen te koopen dewelke de koster zo noodig daartoe kan gebruiken­.”
 
In november van het jaar 1885 wordt er een mannen- en meisjes­vereniging opgericht, die het reglement, als het klaar is, aan de kerkeraad zullen voorleggen. Beide reglementen worden op de volgende vergadering van de kerkeraad zonder wijzigingen aangenomen. Op 29 december 1885 "werd gesproken over het herdenken van het 50 jarig bestaan van onze Gemeente het was op Maandag den lsten februari 1886 waar op werd besloten om het den 3 februari te gedenken en wel des avonds om half zes een Her­denkingsrede en om 8 uur een navergadering der Gemeente en ver­dere belangstellenden, verder werd besloten om ook Professor van Velzen, de stichter der Gemeente, bij die gelegenheid uit te nodigen alsmede de vader van den Presendent Ds. Kapteyn van Amstelveen.” Beide uitgenodigde personenn waren op die datum ver­hinderd en daarom werd de herdenkingsrede maar door onze eigen predikant gehouden naar aanleiding van Rom. 11 vers 36 en werd ook door hem de vergadering geleid “en werd ook nog door enkele Broeders een woord van bemoediging en dankbaarheid tot de ge­meente gesproken, en werd besloten met het zingen van Psalmver­zen, ook werd de Gemeente verrast door het zingen van enkele liederen van het zanggezelschap, waarna de vergadering na een paar uur genoeglijk zamentezíjn geweest voldaan huiswaarts ging".
 
Tot nog toe was er in de kerkdiensten schijnbaar nog geen ge­bruik gemaakt van een orgel, want in de vergadering van de kerkeraad van 4 februari 1886 praat men erover er een aan te schaffen. Er is een inzameling in de gemeente geweest, opbrengst ƒ160, - en nu waren er twee orgels aangeboden, een pijporgel van ƒ 300,- en een frans harmoniumorgel van plm. ƒ 225,- en er wordt besloten om over het laatste nader onderzoek te doen. Het orgel kwam er en de predikant vroeg of het goed genoeg was. Sommigen vonden het wel wat te licht, maar men vond het niet raadzaam om voor de oude kerk naar een beter om te zien. Er zou ook nog een koraalboek bij het orgel worden gekocht. Or­ganist werd B. Hempenius, met wie nog zou worden besproken wat zijn jaarsalaris daarvoor zou zijn.
 
Nog andere grootse plannen zweefden er echter rond in de hoof­den van onze eerwaarde broeders van de kerkeraad. Men dacht er namelijk over zo langzamerhand maar eens een nieuwe kerk te gaan bouwen, vooral omdat, de oude te oud begon te worden. Daar­om had men in begin 1886 al een Bouwfonds opgericht, waarvoor de leden van de jongelingsvereniging al een mooi bedrag bijel­kaar hadden gehaald, en waarvoor bij de uitgang van de kerk nu ook twee busjes waren gehangen. Dit laatste bracht in een kwartaal al ƒ 258,90 op. De kerkeraad krijgt volmacht van de manslidmaten van de gemeente om, wanneer daartoe de gelegenheid be­staat, over te gaan tot den aankoop van een stuk bouwterrein voor de nieuwe kerk. Al gauw meent men een geschikt stuk te hebben gevonden, want men besluit eens onderzoek te doen "of de weduwe Steensma genegen was om de Bakkerij met erf te verkoo­pen".
Omdat de eigenaresse een te hoge prijs, ten minste vol­gens de kerkenraad, vroeg, werd voorlopig van dit bouwterrein afgezien. Hier tussendoor maakt de kerkeraad een verzuim goed, door mee te delen dat de organist ƒ 25,- beloning per jaar zal krijgen.
Nadat men nu eerst nog heeft geprobeerd een huis ten zuiden van de pastorie te kopen, wat niet gelukte, komt men nu toch weer terug bij de Wed. Steensma en biedt een hoge­re prijs voor haar grond. De twee kerkeraadsleden, die het kontakt met deze vrouw onderhouden, komen ten slotte een bepaald bedrag met haar overeen, maar wanneer zij dan de koopakte moet ondertekenen, aarzelt ze weer en wil eigenlijk maar weer terugkomen op haar eerder genomen besluit. Hier ging de kerkeraad niet mee akkoord, dat kon ook niet want de wed. Steensma had al een briefje ondertekend, waarin stond dat ze haar grond aan de kerkeraad had verkocht. Toen vroeg de vrouw om uitstel van de verkoop, maar ook op dit verzoek ging de kerkeraad niet in. Enige minuten later liep de vrouw met de broeders van de kerkeraad het pad af en zei toen zomaar dat ze de koopakte wel wilde ondertekenen, zodat men weer zo vlug mo­gelijk naar de vergaderruimte toeging waar nu de koop in het bijzijn van de direkt ontboden notaris met zijn getuigen. zou worden gesloten. “Doch een kennelijk zeer weinig ernstig zenuw­toeval van vrouw Steensma verhinderde ons weer om voorttegaan. Na eenig vertoeven moesten tenslotte onverrichter zake vertrek­koen met het vaste besluit naar ons goed recht krachtig op te treden ".
Het benodigde geld voor de kerkbouw wil men nu probe­ren bij elkaar te krijgen door giften van de leden en door het aangaan van leningen. Van nu af aan (dit gebeurt allemaal in het jaar 1887) wordt het grootste gedeelte van elke kerkeraads­vergadering in beslag genomen door de bouwproblemen.
 
 
Van kerk tot kerk
 
Ds. Kapteyn zal de eerste steen leggen van de nieuwe kerk en daarbij een toepasselijk woord spreken naar aanleiding van 1 Sam. 7:12b. Op de steen zal, behalve de tekst, verder nog de naam Eben-Haëzer, de datum en het jaartal worden gezet. Het oude kerkgebouw zal niet publiek, maar uit de hand worden ver­kocht met de voorwaarde, dat het niet meer als kerk mag worden gebruikt, dit "met. het oog op de dolerenden dat men dan geen aanstoot gaf tot verwijdering en verbittering tegen de Gemeen­te". De inwijding van de nieuwe kerk zal plaats hebben op don­derdag 1 december 1887. Hierbij zullen de voornaamste gevers buiten de gemeente en het dagelijks bestuur van de stad ook worden uitgenodigd. ‘s Avonds zal er een navergadering wordenn gehouden, waarbij al de predikanten van de classis zullen wor­den uitgenodigd. Ook over de zitplaatsenverdeling moest na­tuurlijk weer uitvoerig worden gesproken en zo werd er ook gesproken over vrije zitplaatsen, waarover werd besloten "om de achterste banken om de noordkant voor de mannen en die der zuidkant voor de vrouwen te houden”. In de achterste vrouwen­bank zou dan bovendien nog plaats zijn voor het gezin van Ds. Postmus de emerituspredikant, die ook in Workum woonde. De banken uit de oude kerk, die nog goed genoeg waren, werden op de kraak in de nieuwe kerk gezet. Ook kostte het nog al even tijd voor men het er over eens was, of er nu op het ter­rein voor de kerk schelpen zouden worden gebracht of dat men het met gras zou laten begroeien. Tenslotte werd tot het laat­ste besloten. Later werden er ook nog, wat "parken en struiken aangebracht".
Tot zover eerst de zakelijke gegevens over de kerkbouw. Het viel ons op hoe snel alles hier in zijn werk moet zijn gegaan, want op 6 april 1887 werd de bakkerij gekocht en op 1 december van hetzelfde jaar vond de inwijding al plaats. Een teken dat men toen geen gras over de plannen liet groei­en! Hiermee stond nu de kerk dus op de plaats waar hij nu ook nog staat. Ook kwam er nog een nieuw orgel uit Spaarnewoude, dat voor ongeveer ƒ1000,-- betaald en tevens in de kerk zou worden geplaatst. Daar onze organist nog maar een klein poosje zijn funktie zou kunnen vervullen, werd er nu besloten dat de dochter van een van de ouderlingen op kosten van de ge­meente orgellessen zou kunnen nemen, zodat men dan toch weer een organiste zou hebben. De broeder ouderling vertelde nog, dat zijn dochter haar werk wel gratis zou willen doen.
 
Wat gebeurde er echter intussen met het oude kerkgebouw? (Noard ). Nadat men dus had besloten dat het uit de hand zou worden verkocht om niet de kans te lopen dat de groep dolerenden (1886) het zou kopen werd het uiteindelijk verkocht, nadat vele keren het bod was verhoogd, aan een van de ouderlingen, die het, zoals wij nu hebben gehoord van een van zijn kleinkinderen, heeft verbouwd tot bakkerij (bakker Ruyter). Het is nog interes­sant te weten dat wanneer men de wandbedekking in de te­genwoordige bakkerij zou verwijderen, wat met een recente ver­bouwing nog is gebeurd, men in de muren nog de plaatsen kan zien waar vroeger de kerkramen hebben gezeten.
 
Nu we het over de Doleantie hebben, kunnen we ook enkele dingen aanhalen uit haar geschiedenis in Workum en haar contact met onze Chr. Afgescheiden Gemeente.
Op 21 november 1887 ontving onze kerkeraad een verzoek “van een Commissie der dooleerenden om onze kerk maandag den 28 No. a.s. des avonds te gebruiken voor een godsdienstoefening, te houden door den Candidaat Brouwer van de Vrije Universiteit te Amsterdam". Wonder boven wonder, vooral gezien bo­venstaande opmerking over het niet willen verkopen van de kerk, staat onze kerkeraad dit verzoek toe! Hiermee was als het ware het hek van de dam, want op de kerkeraadsvergadering van 8 augustus 1889 komen er een vier­tal "doleerende broeders, welke verklaren dat hun komst ten doel heeft zich zo mogelijk met onze gemeente te vereenigen.” Nadat men over dit alles breedvoerig had gesproken en de pre­dikant had gevraagd "in welke kwaliteit zij op de vergadering
waren verschenen", waarop zij hadden geantwoord dat zij voor zichzelf en hun vrouwen en nog voor een echtpaar dat niet aanwezig kon zijn kwamen, had de kerkeraad geen bezwaar om tot vereniging met hen over te gaan! In een overeenkomst zouden alle voorwaarden worden vermeld.
Uit wat er een goed half jaar later gebeurde, blijkt wel dat de dolerenden het erg op prijs stelden dat de Chr. Afgesch. Gem. van Workum zo gauw geneigd was tot vereniging met hen. Op de kerkeraadsvergadering van 7 juli 1890 kwam één van de tot onze kerk toegetreden dolerenden namens hen allen zeggen, dat zij van plan waren met elkaar het geld bij elkaar te brengen om de kerk te laten verven. Ze vroegen daarom hiervoor een begroting, zo­dat ze wisten hoeveel geld ze zouden moeten. verzamelen. De kerkeraad stond natuurlijk verbluft en nam met beide handen het aanbod aan en stuurde ogenblikkelijk een van haar leden naar de kerk om eens ruwweg te schatten hoeveel er nodig zou zijn. Hij schatte de kosten op ongeveer ƒ200,- Daarna ver­trok de ex-dolerende broeder weer om nu voort te gaan met de inzameling. De kerkeraad besloot nu meteen ook maar twee nieu­we banken aan te schaffen, een voor de ouderlingen en een voor de diakenen. Boven deze banken zouden "afdakken" worden gemaakt. Ook hiervan wordt een begroting en bestek gemaakt. Enige weken later komt de vertegenwoordiger van de dolerenden in onze gemeente weer op de kerkeraadsvergadering met een be­drag dat. nog ver boven de begroting uitkwam, namelijk ƒ263,- Groot was natuurlijk weer de dank van onze kerkeraad namens heel de gemeente. Omdat men voor het verven van de kerk toch niet zoveel geld nodig zou hebben, werd er maar besloten, dat het geld in het bouwfonds zou worden gestort, daar kon het nog best in worden gebruikt. Bovendien.bleek later ook, nog, dat de kosten van het verfwerk ver beneden de begroting waren geble­ven zodat men weer mooi wat overhield voor de aflossing van de schuld, ontstaan door de kerkbouw.
 
Het hoeft ons helemaal niet te verbazen, dat wanneer er een klein half jaar later verkiezing van ambtsdragers is er een van de ex-dolerenden, en wel degene die telkens als vertegenwoordiger van hen bij de kerkeraad was opgetreden, op “nominatie” voor ouderling staat, hij ook tot het ambt wordt verkozen door de gemeente.
 
Eveninin kijken we vreemd op als begin 1891 een schrijven van de synode der Ned. Geref. Kerken (de dolerenden dus) aan de. kerkeraden der Chr. Ger. Kerken in Nederland ter tafel komt onze kerkeraad haar vertegenwoordigers naar de eerstvolgende classisvergadering opdracht geeft voor te stellen, dat onze synode moet trachten tot vereniging met de Ned. Ger. Kerken te komen “op breederen grondslag" en zo dit (nog) niet moge­lijk zou zijn “zoeke de synode met deze kerk te geraken op den voet van zusterkerken, met wederzijdsche erkenning van tucht en ordening". Als na de classisvergadering verslag op onze kerkeraadsvergadering hiervan wordt gedaan en de voorstellen betreffende de vereniging met de Ned. Ger. Kerken ter sprake komen, staat hierover alleen vermeld, dat onze kerkeraad zich hiermee in hoofdzaak kon verenigen, waaruit we naar alle waarschijnlijkheid op kunnen maken, dat de classicale vergadering de verenigingsvoorstellen in grote lijnen had overgenomen. Leek het dus in het begin er in Workum op, dat men niet zoveel varn de dolerenden moest hebben (en hetzelfde mogen we misschien ook wel zeggen van de hele Zuidwesthoek van Friesland, nadat we het bovenstaande van onze classis hebben gelezen), het bleek later, nadat men om het zomaar eens te zeggen het terrein wat beter had verkend, dat het hier toch nog heel anders uitpakte. Als afsluiting van dit alles over de Doleantie, gebruiken we de volgende mededeling die in het no­tulenboek achter de vergadering van 1 augustus 1892 voorkomt:  ''Ingevolge het besluit der Synode der Christelijke Gereformeer­de Kerk. De voorloopige Synode van de Nederduitse Gereformeer de Kerken (dolerende) nader, voor zooveel nodig, bevestigd door de Generale Synode gehouden op 17 juni 1892 te Amsterdam, zal nu voortaan deze kerk de naam voeren van de Gereformeerde Kerk. Ingevolge dit besluit zal zij voortaan naar den regel der Gereformeerde Kerken Ordening in Kerkverband leven, niet enkel met die Kerken, waarmede zij tot dusver Synodaal vergader­den, maar ook met die andere Gereformeerde Kerken, die tot hier­toe Synodaal vergaderden onder den naam van voorloopige Synode van Nederduitschen Gereformeerde Kerken, de Synode der Chris­telijke Gereformeerde Kerk, en welke kerken zich later hier bij mogten aansluiten. En eindelijk wordt, insgelijks volgens ge­noemde Synodale besluiten, hiermede geconstateerd, dat alle eigendom en recht, haar dusver onder den ouden naam zouden toegekomen zijn, thans door haar onder dezen gewijzigden naam in eigendom en rechten gehouden worden, of zullen worden aan­vaard of opgeeischt.”  
 
Door de kerkbouw en alles wat daarbij kwam kijken, was men schijnbaar niet ruimer in de fi­nanciën komen te zitten, want toen de koster met een aanslagbil­jet van de personele belasting bij de kerkeraad kwam met de vraag wie dat nu moest betalen, de kerkeraad of hij, zei de kerkeraad, dat hij eerst maar eens moest proberen dit bedrag bij de ontvanger te doen verlagen en dan zou men wel weer eens zien. Toen de koster een paar weken later terug kwam met de mededeling, dat hiervoor helemaal geen kans bestond, werd er maar besloten dat de kerkeraad het bedrag van aanslag maar bij het loon varn de koster zou doen.
 
Aangaande het kontakt kerk­ school in deze jaren, kunnen we het volgende nog wel even ver­tellen: Het bestuur van de Chr. School in Workum vraagt aan de kerkeraad, of' er in onze kerken enige malen voor de behoeften der school kan worden gekollekteerd. Er wordt besloten dit één keer te doen. Maar dan duikt het goede hart van onze jongemannen vereniging op. Zij willen “een suppletiefonds oprichten tot het betalen van schoolgeld voor on- en minvermogende kinderen". De kerkeraad gaat hiermede akkoord en belast de J.V. met de uitvoering.
 
Tenslotte nog iets over de van de wed. Steensma gekochte bakkerij, genaamd “In de gulden Fiesel”. Velen onder ons herinneren zich nog heel goed die oude bakkerij, waarin vele jaren bakker Vellinga en daarna nog enige jaren bakker V.d Wey gewoond hebben. Naast deze bakkerij was het terrein waarop de tegenwoordige kerk is gebouwd in 1887. De verhuur van deze bakkerij heeft onze kerkeraad vaak menig zweetdruppel­tje gekost, vooral bij het vaststellen van de huur bij de huur­der, beide partijen waren het wat dat betreft namelijk lang niet altijd zomaar eens.
 
Op 12 mei 1892 krijgt Ds. Kapteyn een beroep naar Goes. Hij neemt op 3 juli afscheid. Ds.Postmus presideert tijdens de vakature de kerkeraadsvergaderingen.
 
 
Van dit en dat, van alles wat
 
Bij acclamatie werd besloten dat Ds. Postmus als president het voorzitterschap zou bekleden en niet als erelid en dat zijn stem een beslissende en geen raadgevende zou zijn.
Intussen werd er alle moeite gedaan weer een nieuwe predikant te beroepen en er werden dan ook verschillende dominees aan de gemeente voorgesteld, die hier in de meeste gevallen dan ook een keer kwamen proefpreken. Toch kon men met deze "proefpre­kers" niet alle zondagse diensten gevuld krijgen en daarom werden er dus ook verschillende andere predikanten gevraagd hier eens te komen. Zo preekte onze vroe­gere dominee Kreulen hier weer verschillende keren. Na een goed half jaar vakant te zijn geweest kon onze gemeente bij monde van de kerkeraad op 15 december 1892 de nieuwe pre­dikant, Ds. P. Veenhuizen van Langeslag verwelkomen. Wanneer hij precies zijn intrede heeft gedaan wordt niet gezegd, maar op bovengenoemde datum was hij voor het eerst op een vergade­ring van de kerkeraad aanwezig, waar Ds. Postmus hem het pre­sidium overdroeg. Tijdens het begin van de periode dat Ds. Veenhuizen hier was vinden we in het notulenboek voor het eerst in de nu al meer dan 50-jarige geschiendenis van
onze gemeente een lijst met namen van belijdeniscatechisanten, die toegelaten worden tot het Heilig Avondmaal en dit gebeurt van nu af aan praktisch elk jaar. Hiervoor was er haast altijd sprake van meer "losse" gevallen ; zo nu en dan kwamen er eens een paar mensen bij de kerkeraad omdat ze belijdenis van hun geloof wilden doen. Natuurlijk kunnen we niet alle namen van de belijdeniscatechisanten van deze keer en van de vele keren die er nog zullen volgen, noemen, maar toch willen we er een aantal van noemen. Uit het groepje (16) dat op 4 mei 1893 voor de ker­keraad verschijnt vermelden we de volgende personen:
Jan Cornelis Nauta, Sine Dijkstra, Aaltje de Bruin, Gelke P.­Broersma, Hiltje v.d. Meulen, Gelske Dijkstra, Jelte Walthuis, Elizabeth Dijkstra, Dieuwke v.d. Wal, Siemen v.d. Wal, Vogel­tje Bosma, Jan J. Bokma, Martentje Bouma. Behalve dezen kwamen er ook nog een aantal uit de Hervormde Kerk met hetzelfde doel. In 1895 zijn het o.a. de volgende personen: Hieke Dijkstra, Tjitske de Jong, Aaltje de Zwart, Sietse Nij­dam, Jan de Jong, Akke Althuisius.
Van hen die in 1896 belijdenis deden noemen we: Tjerk Gaastra, Pieter Riemersma, Durk Hofman,Tjerk de Zwart, Janna Leenstra, Hendrikje de Jong, Syne Nauta, Grietje Visser, Wietske Attema, Rink Visser, Aaltje Haytema, Jan Lootsma.
In 1897 verschijnen voor de kerkeraad en worden tot het H.A. ­toegelaten: Cornelis Riemersma, Jan v.d. Plaats, Maria Riemersma, Sietse Dijkstra, Floris Grasman, Gretske de Jong, Jurre Wynia, Ymkje Feenstra, Ymkje Gaastra, Auke Harkema, Fennigje Bruin, Sjoerd­je Smits.
In 1899 waren het o.m.: Siebe Bokma, Herre de Groot, Douwe Kooistra, Trijntje Visser, Trijntje Leenstra, Heintje de Bruin, Renske de Bruin.
 
In deze jaren zien we ook een oplevend kontakt tussen kerk en school, terwijl ook de zending in deze tijd meermalen ter sprake komt.
Voor wat de kerk op het ter­rein van de school deed moeten we beginnen in 1893. Op de kerkeraadsvergade­ring van 3 augustus van dat jaar werd namelijk besloten, dat er een Uniekollekte zon worden gehouden in de kerk, omdat "het bestuur van de alhier bestaande Chr. School het verband met Chr. Nat. en dus ook met de Unie heeft verbroken". Dat het schoolbestuur zich terugtrok is waarschijnlijk nog een ge­volg van de Doleantie die in deze jaren ook - in de onderwijsor­ganisaties doordrong, wat innerlijke wrijving ten gevolge had. Jammer genoeg lezen we verder niet wat deze kollekte heeft op­gebracht. Wel wordt er nog gezegd, dat het geld belegd zou wor­den tegen een rente van 3%­
1n 1894 is deze Uniecollecte blijkbaar al iets meer georgani­seerd, want we lezen, dat voordat deze kollekte weer zal worden gehouden, wat, zo spoedig mogelijk moet gebeuren, er eerst Unieblaadjes zullen worden verspreid. In 1895 staat de op­brengst ook in het notulenboek vermeld, namelijk ƒ 28,72 en er wordt bij besloten, dat ƒ 3,72 aan het bestuur van de Unie zal worden gestuurd. In 1896 begint de Uniecollecte er al aardig in te komen, want dan is de opbrengstmaar liefst ƒ 115,- Werd de kollekte aanvankelijk in de kerk gehouden, later is er sprake van dat de jongelingsvereniging toegezegd heeft hiervoor te zullen rondgaan.­
Al leek nu alles mooi op regel met deze Uniecollecte, toch re­zen er weer andere moeilijkheden in verband met de financiering van de school, want in 1896 komt er een nieuwe bepaling voor de kinderen van Gereformeerde huize die op school gaan. Wat
deze bepaling precies inhield kunnen we niet meer nagaan, maar zij had tot gevolg, dat de kerkeraad besloot dat het suppletiefonds zal worden uitgebreid, dat immers was ingesteld tot het betalen van het schoolgeld voor on- en minvermogende kinderen. Bovendien vraagt de kerkeraad dan nog aan het school­bestuur de kinderen van de Gereformeerde kerk gewoon school­geld te laten betalen. Dit verzoek wordt ingewilligd onder voorwaarde, "dat dan door den kerkeraad een jaarlijksche som ten bedrage van ƒ 100,- aan voorn. schoolbestuur zal worden gegeven". Hiermee gaat onze kerkeraad op zijn beurt weer ak­koord. Waarschijnlijk kwam deze nieuwe bepaling voor de Gere­formeerden er omdat de Hervormden elk jaar in hun kerk een kollekte voor de school hielden.
 
Ook de zending komt in deze jaren nog al eens een paar keer aan de orde. Voor het eerst gebeurt dit op de vergadering van 1 november 1894, waarop door een van de ouderlingen wordt ge­vraagd, of het "ter meerdere bevordering van de zendingsar­beid" niet mogelijk zou zijn een zendingsvereniging op te richten. Maar omdat het op die vergadering al zo laat was, stelde men de bespreking van dit voorstel maar uit tot de vol­gende vergadering, die op 10 december viel. Ook dan moet het evenwel alweer "wegens het vergevorderde uur" eigenlijk uit­gesteld worden, maar dat vindt men schijnbaar toch ook weer te gek en daarom wordt er maar vlug een commissie benoemd, die de zaak voor de volgende vergadering maar eens moet over­wegen.
De commissie oordeelt het echter niet noodzakelijk dat er een aparte vereniging voor dit werk moet worden opgericht, maar stelt voor alles gewoon van de kerkeraad te laten uitgaan. Vier keer per jaar zou er, en wel in februari, op Hemelvaarts­dag, in de kermisweek in september, en nog in de maand novem­ber, een vergadering met de gemeente gehouden worden, waarbij dan een spreker van elders zou moeten worden uitgenodigd. Zonder enige verandering wordt dit voorstel door de hele ker­keraad zo overgenomen.
Een hele poos horen we dan weer niets van de zendingsaktivi­teit in onze gemeente, maar op de vergadering van 28 april 1897 oordeelt men het in het belang van de zending noodzake­lijk dat "Het Mosterdzaadje" moet worden verspreid. Dit werk wordt weer aan de jongelingsvereniging opge­dragen. Het valt ons wel op dat de jongelingsvereni­ging toen behoorlijk aktief was in het praktische kerkewerk!
In augustus 1898 worden de manslidmaten allemaal bijeengeroe­pen om er met elkaar eens over te praten, hoe de zending het beste kan worden behartigd in onze gemeente. Tot welke konklusie zij kwamen weten we niet, maar wel weten we, dat, de kollekte die er die avond voor de zending werd gehouden ƒ 24,- opbracht.
Op 4 mei 1899 komt de zending weer ter sprake en wel door­dat Ds. Veenhuizen verslag doet van de laatste classisverga­dering, waar men het ook over de zending had gehad. In het kort kwam het hier op neer, dat men tot de konklusie was ge­komen, dat men voor het uitzenden van een "missionair dienaar des Woords" per jaar een bedrag van ƒ 4000,- dacht nodig te hebben. De classis Sneek, waar onze kerk dus toebehoorde, zou daarvan
ƒ 2000,- bijeen moeten brengen, terwijl de kerk van Heeg de uitzending zou worden opgedragen.
 
Tenslotte nog iets over de zondagsrust. Op de kerkeraadsvergadering van 7 juli 1898 komt namelijk een schrij­ven van de Provinciale Synode aan de orde, waarin wordt ge­vraagd mee te werken aan de bevordering van de zondagsrust. Eerst wordt dit stuk aan de kant gelegd, maar in maart van het volgende jaar wordt er ''een schrijven gericht tot de ker­keraad van de Hervormde, gemeente alhier om samenwerking tot bevordering van Zondagsrust, om de levering der landbouw van melk aan de boterfabrieken te ontraden op den Zondag". Uit beide kerkeraden wordt een commissie benoemd met de beide predikanten, Ds. Veenhuizen en Ds. Van der Weide, als voor­zitters. Op een gezamenlijke vergadering van deze beide com­missies wordt besloten, dat de beide predikanten naar de chef van de boterfabriek hier in Workum zullen gaan om de zaak met hem te bespreken en om daarna te onderzoeken hoe de zondags­rust het best zou kunnen worden bevorderd. De sanenspreking slaagt wonderwel: de direkteur van de fabriek stelt nog een ploeg volk in dienst, "zodat hierdoor het werk op zondag voor een groot deel komt te vervallen"­
 
 
"Tussen twee haakjes" I.
 
In het volgende tien à vijftien-tal jaren komen er geen ge­beurtenissen van zeer grote betekenis in en om de Gereformeer­de Kerk van Workum voor en daarom zullen we slechts zo hier en daar een puntje aanhalen.
Eerst enkele financiële zaken. Zo lezen we bijvoorbeeld, dat een orgeltrapper in die jaren ƒ l,- per maand verdiende, ter­wijl de organiste Maaike v.d..Wal, een dochter van een ouder­ling, die destijds bij monde van haar vader had beloofd, dat ze haar werk gratis zou doen, nu, nadat ze vijf jaar organis­te was geweest, wel enig recht meende te hebben op salaris. De kerkeraad stelde hiervoor ƒ 25,- per jaar beschikbaar.
Wat de kerkeraad mag hebben bewogen tot het nemen van het vol­gende tweetal besluiten is niet in de notulen vermeld: In 1896 en in 1904 wordt een verzoek van de Ver. ter bevorde­ring var Geref. Ziekenhuisverpleging om een  kollekte te mogen houden of een gift te ontvangen om zodoende in het bezit te kunnen komen van een Geref. ziekenhuis, afgewezen. Het is ech­ter best mogelijk, dat dit gebeurd is, omdat er vooral rond de eeuwwisseling zoveel verzoeken om giften en kollekten van kerken en scholen uit heel Nederland bij de kerkeraad binnen­kwamen, dat er vaak "nee'' moest worden gezegd of hoogstens be­dragen tussen de ƒ0,50 en de f 5,- konden worden gestuurd. Soms had men wel tien aanvragen per avond en werd met de be­handeling hiervan vaak de hele vergadering in beslag genomen. En bovendien had onze kerk ook haar gewone plichten in eigen stad. Zo zegde onze kerkeraad in 1898 bijvoorbeeld per jaar ƒ 25,- toe voor de vergroting van de Chr. school en in dat­zelfde jaar moest er ook een vlag met stok en wimpel voor de eigen kerk komen en twee bekers voor de avondmaalstafel.
Nog even komen we terug op de school, want in 1904 vertelt dominee, die bestuurslid is van de Chr. school, dat men van plan is de school te verbouwen, hij vraagt of onze kerk ook  in de kosten mee kan en wil bijdragen. De kerkeraad heeft ge­lukkig nog een potje van ƒ 1000,-. Dat was  bestemd was voor een eventueel, op te richten Geref. school, onder toezicht van de kerkeraad. Als het bedrag weer uitgeloot zou worden, werd het weer voor dit doel bewaard. Tijdens de verbouwing mochten de leerlingen van de school gebruik maken van de consistorie.
Ondanks al deze kleine en grotere uitgaven meent de kerkeraad toch zo nu en dan nog eens wat extra's te moeten doen. Zo krijgt Ds. Veenhuizen aan het begin, van het, jaar 1897 een gift van ƒ 50,- van de kerkeraad, voor al het werk, dat hij tot nu toe heeft gedaan. Hetzelfde gebeurt in 1898.
Als later de opvolger van Ds. Veenhuizen, Ds. Schoenmakers, in 1904 voor een beroep naar Harlingen bedankt, geeft de kerkeraad hem hier­voor eveneens ƒ 50,- gratificatie. Wanneer dezelfde predikant in 1907 weer voor een beroep bedankt, wordt zijn traktement met ƒ100,- omhooggebracht.
Maar de kerkeraad weet ook weer geld uit te sparen. In 1901 vraagt een lid van de gemeente of hij de pastorie tuin, wat zoals we hieruit kunnen opmaken toch al een probleem voor de predikant was, met vroeg aardappelen mag bebouwen. Dit wordt toegestaan, mits dit lid ook voor het schoonhouden van de tuin zou zorgen, waardoor dus weer onderhoudskosten konden worden bespaard!
Niet alleen de kerk zelf had echter grote uitgaven, maar ook de zondagsschool scheen het moeilijk te hebben, tenminste de "Geref. Zondagsschoollijders” vroegen in 1901 een kollekte in de kerk te mogen houden voor dit werk.
Nieuwe financiële lasten kwamen er in 1902 voor de kerk bij toen het zo langzamerhand hoog no­dig werd, dat de kerk uitgebreid werd, wegens plaatsgebrek. Besloten werd, na overleg met een architect, dat de galerij zou worden verbreed. Hiermee wordt bedoeld de z. g. orgel­galerij. Dit moest ƒ 500,- kosten. Er werd toen een inzame­ling onder de gemeenteleden gehouden, waardoor het voor die tijd toch vrij hoge bedrag vrij snel, vooral ook door een gift van ƒ 100,- (!) bij elkaar kwam. Ondanks alles zien we bij het nazien der boeken aan het eind van 1903, dat men in het boek van de kerkelijke administratie nog ruim honderd gulden en in dat der armenadministratie een kleine tweehonderd gul­den overhield.
In 1905 wordt het kerkorgel gerestaureerd, vooral op aandrang van de órganiste en dit kost weer drie­honderd gulden, ook dit kwam weer door middel van een inzameling bij elkaar.
In 1906 wordt de kanselbijbel door een nieuwe vervangen. Er staat niet bij vermeld of de vrouwenvereniging voor de kos­ten instond! Ook zien we telkens verzoeken om geldelijke bij­dragen voor "Tehuizen voor Militairen van Geref. Huize" , die meestal worden afgewezen, omdat de kerk "de bond al steunt". Er ging echter niet alleen geld uit de kerkepot, maar soms kwam, er in één keer ook een heel bedrag in, zoals in 1907, toen een overledene ƒ 1.000,- aan de kerk naliet.
In 1910 krijgt men plotseling een kans om het geld met handen­vol uit te kunnen geven. Men had het er namelijk al een paar keer over gehad, dat de toenmalige pastorie (het huis op Noard 61) eigen­lijk veel te klein werd voor het gezin van Ds. Idema, de op­volger van Ds. Schoenmakers, die na zeven jaar in Workumm te hebben gestaan in 1908 het beroep naar Alblasserdam had aangenomen. En nu kwam het herenhuis van de heer Bingst, dat ook nog wel juist tegenover de kerk stond (de tegenwoordige pasto­rie dus) vrij. Na vele besprekingen, waarbij de voor- en de na­delen nauwkeurig tegen elkaar werden afgewogen, kocht men het huis tenslotte in 1911, wat onze kerk met vertimmering en schilderen behoorlijk duur kwam te staan. Op het laatste moment kwamen er echter ook nog nieuwe moeilijkheden, want vol­gens de kerkeraad was de rekening van de aannemer, veel te hoog. Een geraadpleegde architect was het hiermee eens, waarom de kerkeraad besloot de rekening zo niet te betalen. Na vele be­sprekingen en over en weer geschreven brieven, kwam men tenslot­te gelukkig tot overeenstemming met de aannemer. De oude pa­storie werd verkocht aan de heer C. Riemersma, die er zijn schildersbedrijf vestigde.     
 
In 1913 komt weer een groots plan ter tafel, de kerk zal weer verbouwd worden. De redenen hiervoor waren volgens het notu­lenboek: “Wel zijn er geestelijke belangen, die hierdoor be­vorderd zouden worden,v.n.l. wijl de onbehoorlijkheden, die door de overbevolking van de galerij verergerd door haar slech­te inrichting aldoor plaats grijpen, er door tegengegaan zouden worden". Men stelt eerst de verbouwing nog maar wat uit om geld hiervoor te verzamelen. De begroting wordt dan ook voor­lopig voor kennisgeving aangenomen. Om de "wanordelijkheden'' die nog voortdurend voorkomen, de kop in te drukken, besluit de kerkeraad controle op de galerij uit te oefenen, zodat de schuldigen er bij het huisbezoek op kan worden gewezen. De predikant merkt op, dat hem opgevallen is "dat de Here rijke zegeningen schenkt voornamelijk aan de landbouwers" en verwacht daarom van hen, dat de kerk hier ook iets van zal merken, daar het hoog nodig wordt dat de kerk verbouwd wordt, omdat de wanordelijkheden nog steeds doorgaan. Gelukkig zien we dat het geld behoorlijk snel binnenkomt, want eind 1915, dus ruim 2 jaar nadat de eerste plannen voor de verbouw ter tafel kwamen, is er al
ƒ 125ó,- bijeengebracht. In 1916 komt het bouwfonds nog een keer ter sprake, maar men oordeelt, de verbouw van de kerk "wijl de donkere tijden die we bele­ven niet geschikt zijn" nog even uit te stellen. Voorlopig laten daarom ook wij de kerkbouw rusten.
 
Omdat het jaarlijkse plaatsverhuren nog al heel wat drukte en vaak ook narigheden met zich meebracht, vatte men in 1914 het plan op dit verhuren "der plaatsen af te schaffen”, maar dan moest er een andere regeling komen, die in elk geval niet min­der op zou brengen. Vele vergaderingen werden aan dit probleem gewijd. Zelfs een aparte commissie werd er voor in het leven geroepen, die ook nog een hele kluif had aan deze zaak. Ten­slotte kwam men er gelukkig toch uit. Alle plaatsen zouden nu aan de kerkeraad komen, die een prijslijst zou vaststellen voor alle plaatsen. De gemeenteleden zouden dus nu elk jaar een vast bedrag voor hun plaatsen moeten betalen. Men zou de plaats kun­nen houden die men nu had, maar wanneer men die eenmaal zou verlaten zou die aan de kerkeraad komen.
 
Voor het volgende gaan we nog even terug in de geschiedenis. Tot 1895 was de classis waarin Workum hoorde behoorlijk uitge­breid, en daarom komt er aan het eind van dit jaar ook een voorstel op de vergadering van onze kerkeraad om de classis te splitsen in een classis Sneek, waartoe de kerken van Sneek (A en B) Bozum, Hommerts c. a., Heeg, Scharnegoutum, Gauw, Oppenhuizen, Balk, Wyckel, Sloten, Oude Mirdum c.a., Woudsend zouden behoren en een classis Workum, met de gemeenten van Workum c a., IJlst, Oudega, Oosthem, Stavoren, Hindeloopen, Koudum, Warns e.a. , Hemelum e.a. , Gaastmeer, voor een groot deel dus nog de tegenwoordige indeling. Een hele poos horen
dan niets meer van deze plannen, tot Ds. Schoenmakers in 1903 verslag uitbrengt van een door hem bezochte classisver­gadering, waarbij hij meedeelt, dat de voorgestelde split­sing door de classis is verworpen. Onze kerkeraad liet het hier echter niet bij zitten, want in de notulen van 28 juni 1905 lezen we, dat de Provinciale Synode het voorstel wel heeft aangenomen en de kerkeraad van Workum heeft aangewezen een buitengewone classisvergadering bijeen te roepen. Deze ver­vadering werd gehouden op 17 augustus van datzelfde jaar, waarop de voorstellen nu ook werden aangenomen.
 
Opnieuw terug naar 1895, want in de notulen van 28 november lezen we, dat de aftredende ouderlingen en diakenen zich weer herkiesbaar stelden voor het volgende jaar en dat de kerkeraad naast deze personen nog elk twee candidaten stelde. Hierdoor bestond er natuurlijk het gevaar, dat een bepaalde­ ouderling of diaken soms jaren aaneen in de kerkeraad zat,  zodat het daarom soms jaren duurde, voor er weer eens fris bloed doorheen kon stromen. Waarschijnlijk zal dit in die tijd gebeurd zijn, omdat er anders niet voldoende keus was. Vanaf 1900 zijn kerkeraadsleden echter niet weer herkiesbaar.
 
Tussen twee haakjes II
 
Ging het de vorige keer vooral over geldelijke zaken, deze keer zullen we nog enkele andere dingen uit de jaren 1895 - 1916 aanhalen. In 1899, dus tijdens de ambtsperiode van Ds. Veenhuizen, verzoekt de classis onze kerkeraad "Godsdienstige
bijeenkomsten in het Heidenschap in kerkelijk spoor te leiden". Als dit onderwerp op de vergadering aan de orde, komt, vindt de kerkeraad dit, althans nu, nog niet mogelijk en gewenst, daar er maar 5 gezinnen uit het Heidenschap geregeld bij ons in de kerk komen en "geen begeerte hebben om een plaatselijke kerk uit te maken". Op verzoek van de classis stelt onze predikant dan, met een van de ouderlingen: een meer uitgebreid onderzoek in, waarbij zij tot de conclusie komen, dat van het stichten van een kerk voorlopig nog niets kan komen, maar dat men wel kan beginnen met een Zondagsschool, catechisatie, huisbezoek, enz. Op de nu volgende classisvergadering krijgen de kerkeraden van Gaastmeer en Workum de opdracht "om de arbeid voor Gods Koninkrijk in het Heidenschap te leiden". In het volgende jaar wijdt de classis nog een behoorlijk deel van een van haar vergaderingen aan het Heidenschap en besluit dan, na de resul­taten van een jaar, werken in het Heïdenschap van br. Dijkstra dat het beter is dat de kerk van Gaastmeer alleen de leiding heeft, dat een commissie uit die kerk een inzameling in de na­burige gemeenten zal houden om een kerkgebouw in het Heiden­schap te kunnen bouwen, dat de predikant van Gaastmeer, twee keer in de maand in het Heidenschap zal preken en dat br.Dijkstra verder nog preeklezer blijft.
In 1902 volgt er weer een samenspreking met de kerk van Gaast­meer over het stichten van een kerk in het Heidenschap. Op die vergadering worden de grenzen als volgt vastgesteld: "Punt van uitgang is het Westendorpschebrugje I van daar rechtelijn raar het Vliet (N6) en II naar de boerderij Haitema Hielkema, verder naar die van Hendrik v.d. Meulen en Siebe Haitema tot de grens tussen Workum en Hemelum Oldevaart". In 1903 worden de attestaties van de in het Heidenschap wonende leden, van de Gereformeerde Kerk opgevraagd door de kerk van Gaastmeer. Op 3 mei van hetzelfde jaar wordt tot instituering van de kerk overgegaan op een vergadering waar tien manslidmaten, aanwezig zijn en een afvaardiging van de Workumer kerkeraad. In het vervolg lezen we zo nu en dan dat onze predikant een classisbeurt in het Heidenschap heeft.
 
Rond 1900 bestond er in onze stad schijnbaar een grote be­hoefte aan een kleuterschool, want het kwam in die tijd voor dat Gereformeerde ouders hun kinderen naar de R.K. bewaarschool stuurden! Een commissie uit de kerkeraad ging deze ouders ech­ter vermanen. Of men het er ook over gehad heeft dan een pro­testantse op te richten, wordt niet vermeld.
Op de kerkeraadsvergadering van 27 maart 1901 maakt Ds Veen­huizen bekend dat hij het beroep naar Almelo heeft aangenomen. Daarom gaat men een lijstje met maar liefst 15 predikanten op­stellen die de eerstvolgende zondagen voor zullen gaan in onze gemeente. Op 7 mei is Ds. Veenhuizen voor het laatst op de ver­gadering.
 
Voor de te beroepen predikant, Ds. Van Goor van, Boxum zal het traktement worden verhoogd. Ds. van Goor bedankt echter. Daarna neemt Ds.Schoenmakers van Dirkshorn het op hem uitgebrachte beroep naar onze gemeente aan en op 17 oktober 1901 wordt hij bevestigd en doet zijn intrede. Op een van de eerste vergaderingen die Ds. Schoenmakers presideert wordt besloten dat voortaan één keer per maand twee kerkeraadsleden de
vergadering van de J.V. zullen b.i jwonen.
 
In 1904 wordt er op het voorstel van de predikant toe overge­gaan de gemeente in vier wijken te verdelen, dit in verband met een betere regeling van het ziekenbezoek enz.
Elke ouder­ling krijgt dan zijn eigen wijk. Daarvoor was er wat dit betreft dus helemaal geen vaste regeling. Ook een vaste verga­dertijd voor de kerkeraad in te voeren bleek niet mogelijk en zodoende kunnen we ook vergaderingen tegenkomen die om half 11
(’s morgens), half 3 ('s middags)  6 en 7 uur (’s avonds) beginnen.
 
Ook in de kerkdiensten. wilde men wel eens wat veranderen: Zo wilde men bijv. de catechisatie in plaats van ‘s middags ook wel eens ‘s-morgens behandeld zien. Het leek dominee echter beter hierover eerst eens de classis om advies te vragen. Deze antwoordde dat zij op dit punt de plaatselijke gemeenten helemaal vrij liet.
Anders ging het echter met het voorstel van de scriba: hij wilde het bij het binnenkomen van de predikant en de kerkeraad in de Dienst des Woords wel eens wat anders hebben. Hoe hij het dan wilde hebbes staat er echter niet bij. Dominee vindt het raadzamer dit voorstel, althans voorlopig, nog maar in te trekken, daar hij niet verwachtte dat het in goede aarde bij de gemeenteleden zou vallen. Dit werd dan ook gedaan en er werd besloten hierover de gemeente eens eerst te polsen.
 
In 1906 wordt er over "een nieuw kerkblad'' gesproken naar aanleiding van wat er op de classicale vergadering was gezegd. Wat er met dit "Nieuwe Kerkblad" wordt bedoeld weten we niet, misschien een soort voorloper van onze tegenwoordige "Friese Kerkbode'. Er wordt besloten, mede door wat de Synode hierover heeft gezegd, in elk geval de be­richten over de kerkdiensten enz. erin te plaatsen.
In datzelfde jaar wordt er ook nog over het inzegenen van hu­welijken gesproken en hierover wordt besloten "geen huwelijken te bevestigen waarvan niet de minste verwachting van aanwe­zig is dat de vragen in het vormulier voorkomende nagekomen zullen worden" en in 1909 besluit de kerkeraad “om niet meer in de week huwelijken in te zegenen, dan met noodzakelijke uitzondering, omdat het niet is, dan de zegen des Heren in het midden der gemeente af te smeken, omdat er geen volk aanwezig is, dan alleen de trouwstoet". Een poging dus om deze bijzondere kerkdienst wat meer tot zijn recht te doen komen.
 
Ook het huisbezoek wordt in 1907 onder handen genomen Her­haaldelijk hadden de kerkvisitatoren er al op gewezen dat men moest voorkomen dat het ambt van ouderling niet goed tot zijn recht kwam,     met andere woorden dat gebeurde tot die tijd niet erg goed. Daarom wordt er nu besloten dat voortaan de predi­kant met een ouderling de ene helft van de gemeente zal bezoe­ken, terwijl de andere helft door twee ouderlingen zou worden bezocht en wel zo dat dominee een keer in de twee jaar bij ie­dereen zou komen.
 
Op 29 juni 1908 vertelt Ds. Schoenmakers aan de kerkeraad, dat hij een beroep naar Alblasserdam heeft ge­kregen en het ook heeft aangenomen. We hebben niet zo heel lang zonder dominee gezeten, want op 2 december van hetzelfde jaar leest de scriba al een brief voor van Ds. Idema uit Schildwolde, waarin hij meedeelt dat hij het beroep naar onze gemeente aanneemt. Op 4 februari van het volgende jaar leidt hij al zijn eerste kerkeraadsvergadering in Workum­.
 
In hetzelfde jaar stelt de kerkeraad zich ook de vraag “wanneer een der ouders of nog niet door belijdenis lid der kerk is, of ook zelfs krachtens de doop niet tot de gemeenschap der Gereformeerde Kenen behoort, zal men zulken in het formeele van de doopshandeling laten deelnemen?” De kerkeraad oordeelt dat "geen onbevoegde bij de doop dient op te treden".
Vanaf 1910 lezer we zo nu en dan dat er in onze kerk een orgel­concert wordt gegeven. Daarbij werden dan programma's voor 15 cent als bewijs van toegang verkocht.
Op 1 februari 1911 wordt op een bijzondere gemeentesamenkomst het 75-jarig bestaan van onze gemeente herdacht. Op die avond geeft Ds. Idema een historisch overzicht over die jaren.
 
Dat onze diakonie ook nog wel eens wat anders gaf dan gelde­lijke ondersteuning, wordt duidelijk als we lezen, dat ervoor werd gezorgd dat per dag twee liter melk naar twee oude mensen werd gebracht!
Voordat men in 1913 met het huisbezoek begint wordt eerst uit­voerig over het geestelijke leven in de gemeente gesproken en merkt de voorzitter op “een flink onderhoud te maken met al de zoodanigen die zich aan verschillende besproken zonden schul­dig maken en alsdan een week vooraf een lijstje te maken van allen die onwettig thuisblijven uit de kerk, en zij die ge­bruik maken van fietsen op de dag des Heeren”.
 
Als op 21 juni 1914 het Nederlands Bijbelgenootschap haar hon­derdjarig bestaan hoopt te vieren, vraagt zij aan onze kerke­raad dit feit die zondag in de kerkdienst te willen herdenken en of' onze kerk ook lid wil worden van het N.B.  Aan beide verzoeken wordt voldaan en er wordt tevens besloten, dat voortaan bij ieder huwelijk dat in de gemeente bevestigd zal worden, een Bijbel van het N.B. zal worden uitgereikt.
 
In 1915 komt er een ver­zoek. binnen om onze predikant voor een bepaalde periode af te staan als predikant in de militaire dienst. Ook hierop wordt bevestigend geantwoord, al wil de kerkeraad wel graag dat er nog mee wordt gewacht tot september/oc tober.
 
In hetzelfde jaar wordt er besloten "in het vervolg nevens tabak ook sigaren te gebruiken tijdens de vergadering".
 
Ook krijgt de kerkeraad in dat jaar (30 september) nog een "verzoek van de kerk te Heidenschap waar zij een tweetal afgevaardigden uitnodigt tot bijwoning harer plechtige samen­komst voor de eerste maal in de door haar nieuw gebouwde kerk".
 
 
In vogelvlucht de geschiedenis van 1916 tot heden.
 
U zult in de vorige aflevering al gemerkt hebben dat het verhaal, gaande van jaar tot jaar, een andere vorm heeft gekregen, n.l.die van grasduinend in de geschiedenis van de laatste jaren van onze kerk. We zoeken wat minder naar de "loop der historie", het leek ons afwisselender om alles wat in de laatste jaren ge­beurd is, en wat of belangrijk of aardig is, bij elkaar te zoe­ken en er een lopend verhaal van te maken.
 
In 1922 waren er 27 doopleden die tot het doen van Openbare Belijdenis kwamen, een heel groot aantal, wan­neer we dit vergelijken met de hierop volgende jaren toen er resp. 9,7,7, belijdende leden bij kwamen.
In 1922 was het eindbedrag van de vaste bijdragen ƒ 6743,88. Als we weten dat het zielental van onze gemeente 639 was, dan heeft ieder gezin toch een voor die tijd vrij hoog be­drag betaald. Het is daarna ook, niet weer zo hoog geweest, integendeel zelfs.
In 1940 was het gedaald tot ƒ 2758,-. Toch was het zielental ongeveer gelijk gebleven. Overigens zijn vanaf 1940 de  vaste bijdragen weer om­hoog gegaan.
 
Van het jaar 1927 vonden we voor het eerst een verslag van de uitgaven en inkomsten van een Zendingscom­missie, we nemen het voor u over
 
Ont va ngs te n
 
 
Ui t ga ve n
 
 
Sa ldo
f
373,68
Stortingen op de
f
551 , --­
Collecten
 
150,26
classis
 
 
Van de vrouwen­
 
 85,--
Zendingsbladen' en
 
291 ,40
zendingsver.
Voor zendingsbladen
 
 
"Uit Keboemen"
 
 
155,25    Jodenzending
 20,
en kalenders
Bijdragen
 
               Zendingskalenders
 
 
291,91
en busjes
         52,64
Rente
 
    2,53
Diversen
         14,-­
Zendingsbusjes'
 
137,50
Saldo
        267 ,09
 
    f 1196,13.
 
     f 1196,13
 
"De Jongelingen-catechisatie werd niet trouw bezocht".
"Van de Jongelings-en Meisjesvereeniging maken al te velen nog geen gebruik".
'' Vereenigingen voor de jeugd zijn:
1. De J.V. voorzitter S. Riemersma
2. De M.V. presidente O. Pruiksma
3. De Knapenvereeniging; leiders J. Kamstra en S. Riemersma
4. De Jongemeisjesvereeniging, leidsters L. de Groot, O. Pruiksma en S. Riemersma.
Voorts is er een vrouwenvereeniging, die vooral voor de Zen­ding arbeidt, presidente
M.  Riemersma-Tol.
 
Wijkverdeeling
Wijk 1 (Ouderling J. van der Schaaf)
Workumer Wiske, Workumerveld, de Laan en het Zuid tot en met Mej. Reinsma.
Wijk 2. (Ouderling E. Wouda)
Al de overigen buiten de stad, dus Workumermeer, Nijhuizum Makkumerdijk enz.
Wijk 3. (Ouderling J. Krijenga).
Van Mej. Reinsma tot en met de Nonnestraat.
Wijk 4. (Ouderling J. Kamstra)
Vanaf de toren tot en met S.J. Postma, de Bagijne­straat, Stationsweg en Schoolstraat mede inbegrepen.
Wijk 5. (Ouderling C. Riemersma.)
Vanaf Sj. Postma, Noord en Dwarsnoord.
 
Het zielenaantal van onze gemeente stijgt. Elk jaar komen er weer enkelen bij, met het gevolg dat in 1937 onze kerk 688 zielen telt. In elk jaarverslag staat vermeld dat er in het afgelo­pen jaar leden waren, die overkwamen uit andere kerken en ook die overgingen naar een andere kerk.
 
Vanaf 1934 vinden we in elk jaarverslag dat er een bepaald bedrag is besteed aan het orgel, steeds zijn het maar enkele tientallen guldens, toch vermelden we dit immers het kwam maar al te vaak voor dat men zei: "Is dat nu zo belangrijk, het orgel speelt toch nog?" Nu de kerk wat meer geld krijgt gaat ze dus ook aandacht aan het orgel besteden.
U kent toch allemaal het "knikkertje" in de lokalen? Dit is er gekomen in 1937. Maar er was niet alleen een knikkertje in de lokalen, er was ook één in de school. Dit eerste jaar van hun aanwezigheid hier bracht het ‘lokaalknikkertje’ ƒ 28,70½ en ‘het schoolknikkertje’ ƒ 23,-. Kostprijs van deze knikkertjes ƒ10,- per stuk
Het volgend jaar bracht het "schoolknikkertje" ƒ 30,89 en het "lokaalknikkertje" ƒ16,47½. De schoolkinderen wonnen het van hun ouders. De hierop volgende jaren zien we het bedrag wat het "lokaalknikkertje" opbracht steeds dalen tot in 1942
er helemaal geen opbrengst meer is. Pas in 1945 zien we weer eens wat van haar, al is het dan nog maar ƒ 13,93½ , terwijl de op­brengst van het "schoolknikkertje" dan al is gestegen tot ƒ 66,67.
 
In het jaarverslag van 1944 vinden we voor het eerst een financieel overzicht van het jaar, iets nieuws dus. Men wist een fors deel van de schuld af te betalen ondanks de oorlog.
Schuld per 1 januari 1944                  ƒ  8072,23
Kassaldo 1 jan. 1944  ƒ   377,77
Kassaldo 31 dec. 1944 ƒ     37,65  
ƒ  415,42
ƒ 8487,65
Terugbetaald                                      ƒ 7100,-­
Schuld per 31 december 1944                       ƒ 1387,65
 
In 1944 vindt ook de bevestiging plaats van onze nieuwe pre­dikant, dr. D. S. Attema, die de opvolger werd van Ds. E.C. van der Laan. Bevestiger was Ds. A.J. van Dijk, van Koudum (deze predikant staat nu in Sloten en is enkele jaren geleden hier nog consu­lent geweest). De tekst voor de bevestiing was 2 Cor. 5 : 18-20. De intreetekst was 2 Cor. 4:7.
 
In het jaarverslag van 1939 vinden we voor het eerst iets over .het bestaan van een Evangelisatiecommissie, en in 1946 zijn er de volgende aktiviteiten van die commissie geweest (uit andere- jaren hebben we niets terug kunnen vinden: "De ontvangsten van de kas voor Evangelisatie waren over 1946  ƒ 1071,71, de uitgaven ƒ 984,88, het saldo
ƒ 86,83. Er werden thans 250 Elisabethhoden en 190 Goede Tijdingen verspreid".
 
In 1946 is er nog al wat geld gebruikt, zoveel zelfs dat er nog ƒ 3271,37.opgenomen moest, worden. Dit jaar schijnt er nog al wat aan het orgel gedaan te zijn, want het heeft de kerk f 237,-- gekost, bovendien was er een uitgaaf van f 1102,- voor "kerk,-bank-stoelen'.
De jaren 1944 en 1946 zijn dus wat financiën betreffen te­gengesteld aan elkaar geweest: Het eerstgenoemde jaar een grote aflossing en het andere jaar het opnemen van veel geld.
Nog één ding uit deze jaarverslagen, steeds is de de laatste zin: “Voor den rijken zegen, dien de Heere wederom gaf, moge Hem onze dank worden toegebracht.”
 
Het allereerste eigen kerkblad verscheen op 31 janu­ari 1948. Daaruit het volgende:
“Enkele weken geleden werd op een kerkeraadsvergadening door één van de broeders de vraag gesteld, of het niet mogelijk en ook wenselijk zou zijn voor onze gemeente, om te komen tot de uitgave van een eigen blaadje, waarin mededelingen zouden kun­nen worden opgenomen, verband houdend met ons plaatselijk ker­kelijk leven. Hoe dikwijls toch gebeurt het niet, zo werd be­toogd, dat er van de kansel een serie mededelingen worden ge­daan, die een niet onaanzienlijk gedeelte van de toch slechte kort toegemeten tijd van de eredienst in beslag nemen. Anders gezegd: dikwijls krijgen we een "preek" voor de preek, terwijl de inhoud van die mededelingen nu niet altijd beschouwd kan worden een goede voorbereiding te zijn op wat in de eredienst ons geboden wordt. Daarbij komt, dat er dingen zijn, waarmee de kerkeraad de gemeente graag in kennis zou stellen, doch die achterwege worden gelaten, omdat ze al te veel uit de stijl vallen".
Inderdaad wordt dan besloten een kerkblad uit te geven, maar vervolgt de schrijver van het voorwoord: “De prijs zal ongeveer 10 cent per exemplaar bedragen. Een ieder draagt echter bij naar vermogen. Is 10 cent te veel dan betaalt hij of' zij vijf; is 20 cent te weinig dan mag ook een kwartje worden betaald. Dat dit laatste geen overbodi­ge luxe is, zal een ieder duidelijk zijn, als hij bedenkt, dat natuurlijk aan onze jongens in Indië een exemplaar zal worden toegezonden. Dit brengt kosten met zich mee, die door ons ge­meenschappelijk moeten worden gedragen".
 "Evangelisatie”
“Dinsdag, 10 februari zal weer een Evangelisatiesamenkomst wor­den gehouden. Ditmaal niet in de Gereformeerde Kerk, maar in het lokaal "Rehoboth". De ruimte is daar minder groot dan in de kerk, maar dit kan juist aan de gezelligheid der samenkomst ten goede komen. Als spreker zal optreden onze dominee E.Ver­burg met het onderwerp. "Verliezen of Winnen". De zangvereni­ging "Zingt den Heer" zal enkele liederenn zingen''.
Nog iets, wat we wel de moeite waard vonden, nemen we verkort over:
"Iets over ons orgel:
Gaarne voldoe ik aan het verzoek van de kerkeraad om, als organiste, u eens uit te leggen hoe groot de noodzaak wel is van de restauratie van ons kerkorgel. Het zingen van de gelovigen in de kerk is een machtig gebeu­ren. Het is een hoogtepunt in de eredienst. Wanneer wij samen onze psalmen zingen, dan is dat een beoefening van de gemeen­schap der heiligen. Samen belijden we onze zonden, vragen wij om vergeving, danken wij God voor Zijn zegeningen en roemen van Zijn eeuwige goedertierenheid. Zal dit zingen echter tot Gods eer zijn, dan moet het goed en schoon zijn. Daarvoor is nodig de begeleiding van een goed instrument en wij hebben een goed instrument. Jammer genoeg begint het tekenen van verval te tonen. Lang niet alle registers spreken meer en als wij de kwaal laten voortwoekeren, zal na verloop van tijd bespeling niet meer mogelijk zijn. Zullen we daarvoor de verantwoording op ons willen nemen? De vraag stellen is haar beantwoorden. Ik weet dat u zegt: wij zijn allen verplicht, naar vermogen bij te dragen in de kosten van de restauratie en we doen het met vreugde. Dan zullen wij en zij die na ons komen God in onze gemeentezang op de rechte wijze kunnen eren".
 
Een bericht uit het tweede mededelingenblad geeft de uitslag van de or­gelaktie: "De rondgang door de gemeente heeft een prachtig resultaat opgeleverd ƒ 3256,85.
 
Inderdaad een prachtig resultaat. Maarde gemeente van toen heeft nog meer geofferd, want aan de jongens, die destijds in Indië  waren, stuurde ze een Kerstpakket. Vele brieven kreeg de kerkeraad terug, waaruit steeds weer sprak de grote dank voor het meeleven. We willen u een voorbeeld hiervan geven:
"Gemeente!
Het is mij een groot genoegen, om u allen langs deze weg harte­lijk dank te zeggen voor het medeleven aan ons hier, ver van het Moederland, bewezen door de kerkeraad in staat te stellen om ons hier een pakket te doen toekomen van en door de gemeente. Nogmaals, hartelijk dank. Moge God geven, dat de tijd spoedig aanbreke, dat wij allen tesamen gezond en wel mogen terugkeren".
Dit wat betreft het contact met ver verwijderden, maar er is ook een regelmatig contact met de eigen plaatsgenoten die niet bij onze gemeente hoorden, er zal n.l. in deze maandweer een Evangelisatie samenkomst in "Rehobot” worden gehouden. Ds. Verburg zal spreken over. "De mens kan veel; kan God alles''. Het mannenkoor zal medewerking verlenen.
 
Het volgende bericht gaat over de vrouwenvereniging: "De Gereformeerde Vrouwenvereniging heeft geruime tijd niets van zich laten horen. In de bezettingstijd en ook nog enige tijd daarna, werden n.l. om verschillende redenen de samenkom­sten niet gehouden. Sedert oktober 1946 wordt er echter weer geregeld vergaderd. En, oudergewoonte, is de vereniging ook weer van plan haar jaarvergadering te houden. Het programma hiervan vermeldt een inleiding over ''Zondags­heiliging'', verschillende voordrachten en hersengymnastiek, betreffende Bijbelse namen. Een leuke samenspraak, waaraan niet minder dan 10 dames meewerken, zorgt voor de "vrolijke noot". Tenslotte is er nog de traditionele verkoping. Er is een­.pracht sprei en een schitterend damast tafellaken nog van voor de oorlog. De leden vervaardigden mooie babyartikelen, leuke kleedjes enz. Andere goederen zijn echter ook welkom. En mochten er leden of begunstigers zijn, die iets in natura voor de verkoop willen afstaan, dan zal dat dankbaar worden aanvaard”.
Was bovenstaande speciaal voor het vrouwelijk deel van onze ge­meente, het onderstaande is voor ieder van belang, maar speci­aal voor de ouderen onder ons: In 1948 kon voor het eerst gebruik worden gemaakt van de doventelefoon. In dit jaar doet dus de techniek intree in on­ze kerk, zeer zeker een vooruitgang.
 
Graag willen we hier nog een belangrijke mededeling vermelden uit het kerkblad van
2 juli 1948: "Onze kerk ontving dezer dagen een zending kleding als ge­schenk van de kerk te Clifton in Noord-Amerika. De bedoeling is dat deze goederen verdeeld zullen worden onder de gemeen­teleden zonder enig onderscheid van rang en stand. Dus ieder die ergens behoefte aan heeft, onverschillig welke maatschap­pelijke positie hij heeft, komt in aanmerking voor deze kleding. Het spreekt vanzelf, dat niet aan ieders wensen zal kunnen wor­den voldaan, want de voorraad goederen is beperkt. Bovendien zijn er nogal betrekkelijk veel gedragen kledingstukken. Een ieder zal dus straks tevreden moeten zijn met wat hij ont­vangt. De uitdeling geschiedt geheel gratis, alleen zal een kleine tegemoetkoming gevraagd worden, ter dekking van de hoge vrachtkosten, die moesten worden betaald.”
 
Nog iets uit 1948: “Interkerkelijke dienst: In verbandmet de troonsbestijging van Prinses Juliana zal D.V. op maandag 6 sept. a.s. een interkerkelijke bidstond wor­den gehouden. De dienst zal aanvangen 's-avonds om 7.50 uur. Ds. De Bruyn, Ned. Herv. pred. alhier, zal spreken over: 'Volk en Oranjehuis". Ds. Hylkema, Doopsgezind pred. te Bol­sward, over "Juliana".
 
In het kerkblad van aug. 1948 staat ook een stukje onder de titel ''Onze Jubilaris": "Op maandag 2 aug. a.s. zal het 40 jaar geleden zijn, dat Ds, v.d. Laan te Driesum in het ambt werd bevestigd. Het zou nu niet bepaald van dankbaarheid getuigen, wanneer wij in ons kerkblaadje daaraan niet de nodige aandacht wijdden. Als we hem zien gaan door ons stadje op zijn dagelijkse wandelingen, dan blijkt onmiddellijk de hoogachting, die men hem toedraagt en de dankbaarheid die daaruit spreekt voor de arbeid, die door hem in stille en nauwgezette toewijding gedurende bijna 19 jaren in ons midden is verricht. Nog altijd geeft hij van zijn hartelijk medeleven met de leden der gemeente, zowel in blijde, als in droeve dagen, blijk. Niet te tellen zijn de ke­ren, dat ik op mijn bezoeken de blijde opmerking te horen kreeg. Ds. v.d. Laan is ook nog even geweest. Per fiets werd hem de beroepsbrief van Workum door een ouderling en een dia­ken thuis gebracht, terwijl veel gemeenteleden hem verzochten tot ons over te komen. Op zijn initiatief werden de lokalen achter de kerk gebouwd. Dit getuigde van moed, maar ook van geloof, omdat er toch reeds een schuldenlast van ongeveer ƒ 25.000,--- op de gemeente drukte.
De commissie van Evangeli­satie werd door hem opgericht in 1939 en nog steeds geeft hij aan die tak van arbeid, als voorzitter, leiding.
Vele jaren mocht hij voorzitter zijn van de Gereformeerde school, uit zijn arbeid in dezen sprak grote liefde voor het christelijk onderwijs.
 
We maken nu een sprong naar het jaar 1951. Het kerkblad van februari verschijnt zwart om­rand: "In memoriam ds. E. C. v. d. Laan".
Drie data zijn voor ons, als gemeente van Workum van zeer grote betekenis. Aller­eerst 24 sept. 1924, toen ds. v.d,. Laan zich aan onze gemeente verbond. Vervolgens 2 aug. 1943, toen de classis Workum hem om gezondheidsredenen emeritaat verleende. En eindelijk 25 jan.1951 toen God hem door de dood aan ons ontnam, of beter: tot Zich nam. Ds. v.d. Laan preekte "streng dogmatisch". Hij was iemand uit de school van. Kuyper en Bavinck. Dat was in alles te merken; vooral kwam dat.uit in zijn preken, deze droegen het stempel van gelovige bezinning over de Schrift-Openbaring, zonder franje, doch stoer en welgefundeerd.
Tegenwoordig wil men dat niet meer. Zeker, men wil nu nog wel "gelovig zijn", doch over "bezinning" en de diepe noodzaak daarvan, moet maar niet worden gesproken. Is dat winst? Dat, is verlies! Ik zeg het ronduit. De preken van ds. v.d. Laan waren gefundeerd op het enige vaste funda­ment van Apostelen en Profeten. En hij heeft volgehouden tot het laatste toe, hoewel hij het heeft begrepen, dat hij daar­door niet altijd de waarheid vond, die hij zo graag had ge­zien. Ook, hij was een mens, die behoefte had aan waardering, precies als gij en ik.
Hebben de jongelui van toen wel de kansen, die God hen bood, op de catechisatie, uitgebuit? Hebben ze, in hem wel voldoende de man gezien, die alleen zijn roeping volgde, heel vaak ten koste van zichzelf? Ik meen dat een eerlijk belijden hier op z'n plaats is.
Ons is een bidder ontvallen en dat betekent een groot verlies, groter dan we ons zelf bewust zijn, omdat hij was een dienaar­-bidder, in dienst van de gemeente, tot eer van God".
 
"Dinsdag, 6 februari 1951, zal onze geheel gerestaureerde school officieel worden geopend'".
Iets heel anders is het volgende:­"Aan heel onze gemeente,
't Leek ons als bestuur goed eens iets te vertellen van onze Geref. Zangvereniging "Zingt den Heer`, die reeds meer dan 60 jaar haar lied, heeft gezongen in onze gemeente. Niet alleen op haar repetitie-avonden en op concoursen, maar heel vaak ook op Evangelisatie-samenkomsten. Door grote inspanning' van de diver­se direkteuren en leden heeft deze gemengde zangvereniging een goede naam in de provincie gekregen, getuige de vele prijzen, die behaald werden in de hoogste afdelingen. En nu? Onze zang­vereniging zit in hoge nood, in ledennood. Er is zo'n gebrek aan mannenstemmen, dat er niet doorgezongen kan worden. Beslo­ten werd voorlopig door te zingen als dameskoor, in de hoop, dat er mannenstemmen zouden komen opdagen. Dit gaat zo reeds een paar maanden. Dit is echter een noodtoestand".
In het kerkblad van oktober 1952 lezen we het volgende­:
"Woensdagavond, 24 sept. waren 32 personen aanwezig in het lokaal achter de kerk, om de mogelijkheid te onderzoeken een kerkkoor op te richten. De bespreking nam niet veel tijd in beslag. Allen stemden met dit doel hartelijk in en zegden hun medewerking toe. Een voorlopig bestuur werd benoemd, dat de verdere plannen zal uitwerken".
 
Gelukkig, nu is er dus weer een kerkkoor, ook de organiste, mej. Pruiksma, kreeg hulp, door de benoeming van de heer B. Pruiksma als tweede organist (sept. 1952). In het kerkblad van okt. 1953 vinden we een heel klein, dun gedrukt berichtje:
"Het bestaan van het kerkkoor overweegt de oprichting van een kinderkoor om onze meisjes en jongens de gave van de zangkunst meer en beter bij te brengen, maar ook om hen voor te bereiden voor het koor zelf. Leeftijdsgrens 11 t.e.m. 15 jaar".
Beide, kerkkoor en kinderkoor, zijn weer ver­dwenen.
In dec 1953 werd er besloten dat voortaan voor de dienst uit "Stemmen des Heils" zou worden gezongen. Deze gewoonte bestaat nog.
 
Als we 1953 schrijven, dan hebben we al niet meer ds. Verburg, als predikant, ds. H. C. Endedi jk is dan in onze gemeente gekomen. Niet voor lang overigens, want in 1956 ging deze do­minee naar een andere gemeente. Op één van de laatste vergaderingen, die door ds. Endedijk werd geleid, werd onder meer besloten:
"In overleg te treden met architekt De Groot van Joure om de pastorie te verbouwen. Met de uitvoering van deze plannen zal eventueel worden gewacht worden totdat een predikant een be­roep naar Workum zal hebben aangenomen".
"Het plafond boven de zitplaatsen onder de orgelgalerij te herstellen".
"Daarna het orgel te laten nazien, waarvoor de kosten op ƒ 500,-- geraamd worden"
"De voormuren van de kerk waterdicht laten maken".
 
Van ds. Endedijk moest afscheid genomen worden, zoals ook in maart 1957 afscheid van mej. Pruiksma als organiste moest worden genomen. Voor de eerste was er nog lang geen plaats­vervanger, voor de laatste wel, gelukkig. U weet hoeveel moei­te het heeft gekost om een nieuwe dominee te krijgen. De één na de ander bedankte, tot in 1959 ds. Middelkoop hier kwam.
 
Over de oecumene willen we graag het volgende aan u doorge­ven:
"Juni 1952 - op een kerkeraadsvergadering kwam binnen Schrijven van de Oecumenische Jeugdraad, waarin gevraagd wordt om plaatselijke samenspreking met een of meer leden van J.V. en M.V. over jeugdproblemen;, de kerkeraad heeft hierte­gen geen bezwaar".
Passend in dit verband een paar opmerkingen uit een artikel “De kerk in beweging":
"Nauwelijks heeft de kerk haar standpunt bepaald ten opzich­te van een bepaald iets, of het wordt al weer achterhaald, door een nieuwe "eis des tijds". Nauwelijks is de ene afwij­kende mening uitgeziekt of een andere vraagt al weer de aan­dacht. Rust om alle dingen te laten bezinken en de toestand te consolideren, wordt niet meer gelaten. Zeker, de kerk staat midden in de wereld. "Een stad op een berg". De kerk is strijdende kerk. De kerk moet een eigen ge­luid laten horen, moet varen op een beproefd compas. Dat is moeilijk. Maar gelukkig mogen we weten, dat de God, die de tijden en de eeuwigheid in Zijn handen heeft, door Zijn Hei­lige Geest Zijn kerk wil leiden".
 
"Gemeentevergadering". Op 7 mei a. s. (1956 zal de beloofde gemeentevergadering gehouden worden van alle leden van de Ned. Herv. Kerk, de Geref. Kerk, de Doopsgez. en de Bapt. ge­meente. Dan zal men worden ingelicht over de stand van zaken, nu de vier kerkeraden gedurende 5 jaar hun 4-jaarlijkse samen­komsten hebben gehouden. Tevens komt ter bespreking de sugges­tie om binnenkort een gemeenschappelijke kerkdienst te houden. Sprekers zullen die avond zijn: Ds. Visser, Ds. van Hamel, de heren Harkema en de Boer. Daarna bespreking. Deze vergadering wordt gehouden in ons kerkgebouw".
 
Het laatste dat we in dit verband willen doorgeven is, dat in 1960 voor het eerst de Interkerkelijke “viering” van de Stille week heeft plaats gevonden.
Een alinea uit het stuk, dat hierover werd geschreven nemen we over:
"Vermoedelijk noemt men deze week zo, omdat we in stilte gaan overdenken al het leed, dat de mensen onze Heiland hebben aan­gedaan. We worden er stil van al dat leed is om mij geweest. Ik kost Hem die slagen. En, als we in gedachten staan om het Kruis van Golgotha, worden we stil. Want hier is duidelijk merkbaar, de band van Gods toorn tegen uw en mijn zonden. En we merken hier ook: Christus' liefde tot ons. Hij maakt ons vrij van schuld en straf en verwerpt daar het eeuwige leven voor ons".
 
Hiermee besluiten we onze "historie-beschrijving". ”Denken en danken" hebben we boven het geheel gezet. Het was een geheel van "kleine dingen" van een kleine gemeen­te op een heel erg grote aarde.
Hebben we het zo geschreven, dat u hebt kunnen ontdekken Gods leiding in alles? Meer hebben we niet gewild, we wilden met elkaar nadenken, omdat we wisten dat we daardoor tot danken zouden komen. We mogen weten, dat Christus alles wat er ge­beurd is in onze gemeente, ook de "kibbelpartijtjes'" en "strubbelingen", doet medewerken ten goede. Hem willen we ook danken, dat we dit "verhaal" hebben mogen schrijven.
 
In het kerkblad dat hierna verscheen stond het volgende:
HISTORISCH OVERZICHT:
Nu de laatste aflevering is verschenen willen we de samenstellers ervan hartelijk danken voor hun vele arbeid er aan besteed. Het was een moeilijke zaak om de oude notulen door te worstelen omdat hetschrift niet altijd even duidelijk was, soms nog verbleekt bovendien. Maar Albert en Frits zijn er uit en doorheen gekomen. Nogmaals de dank van ondergetekende, van de kerkeraad en de gehele gemeente. D.M
 
De stichtingsdatum van de Gereformeerde Kerk is 1 februari 1836. Predikanten:
1.Ds. S.O.Los (1803-1882) predikant in Workum, Koudum, Ferwoude 10 nov. 1841. Vertrokken naar rotterdam in hetzelfde jaar. Vandaar naar Werkendam en in 1856 naar Zaamslag,Axel,Terneuzen; tenslotte naar Baarland
2.Ds. J.R. Kreulen, (1820-1904), predikant te Workum 1843; vervolgens in Spijk 1846; Wildervank 1849, Hallum 1853, Utrecht 1868, Giessendam1872, Leek 1874, Suawoude 1882.
3.Ds. Y.J. Veenstra, (1810-1864), predikant te Sexbierum in1844; Workum in 1848; Meeden-Sappe­meer 1850, Sappemeer 1852, Lioessens 1857, Dokkum 1862.
4. Ds . W. van der Kley, in Workum op 1 november 1856. Tiel 1858.
5. Ds. M.H.J. Bosch, (1821-1885), predikant te Hattum 1847; Scharnegoutum 1853, Workum 1860-1885.
6. Ds.W. Kapteyn; predikant te Workum van september 1885 - juli 1892. Verdere gegevens. ontbreken. Is vertrokken naar Amerika.
7. Ds. P.A. Veenhuizen,(1862 1921) predikant te Langeslag in 1889, Workum in 1892, Almelo in 1901.
8. Ds. N.H. Schoemakers, (1873-1943), predikant te Dirks­horn in 1898, Workum 1901, Alblasserdam 1908, Kampen 1914-1938.
9. Ds. S. Idema, (1875-1946); predikant te Opeinde in 1900; Schildwolde 1904; Workum. 1918, Ysselmonde 1918; Winsum-Obergum 1921 -1941.
10. Ds. T.L. Kroes, (1883-1942), predikant te Kielwindeweer 1909, Schouwerzijl 1912, Coevorden 1915, Workum 1920, Ruinerwold 1923.
11. Ds. E.C. van der Laan,(1878-1951), predikant te Driesum 1908, Lollum 1915, Workum 1924-1943.
12. Dr. D.S. Attema (1910) predikant te Workum 1944,  Oosterbeek 1947, Huizen (N.H.) 1949; tevens lector van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Professor van de V.U. in de Semitische talen sedert 1 okto­ber 1956.
13. Ds. E. Verburg (1906), predikant te Pernis 1942, Workum1947, Winschoten 1953.
14.Ds. H.C.Endedijk (1926), predikant te Wormer 1950, Workum 1953, Arnhem 1956.
15.Ds.D.Middelkoop (1904), predikant te Mildam 1929, St.Pancras 1946, Zaamslag 1953, Workum 1959. 
 
 
 
 
 

ThuisHandelHistorieUit de FrisoContact en toevoegingenFoto's WorkumVerhalenGeschiedenis